Geschiedenis

Het fresco in de refter van Mariënhage

augustijnen en augustinessen

 

Het fresco dat in zich de refter van Mariënhage bevindt, siert als omslagfoto het boek Een kleine orde met allure. De augustijnen in Nederland, 1886-2006. Het is rond 2009 gerestaureerd door de Eindhovense kunstenaar Arie Trum. Het beeldt de augustijnse familie uit op een manier die de huidige medebroeders niet meer zo vertrouwd is, terwijl het tegelijkertijd toch nog wel herkenbare aspecten bevat. Geschiedenis gaat over mensen die in een herkenbare traditie staan, maar die ons ook vreemd geworden zijn. 

Het fresco in de refter van klooster Mariënhage. foto: Maxim Linssen  
 foto: Maxim Linssen

Datum en schenker 

 

Dat het fresco van de hand van Charles Eyck (1897-1983) is en in 1937 vervaardigd is, staat op het fresco zelf. Enig speurwerk leverde op dat het een geschenk was van Josepha Makaay-Stoffels (1863-1936), de moeder van de augustijnen Servus (1893-1959) en Andreas (1895-1977). De eerste was in 1937 oud-provinciaal (in 1938 herkozen) en zijn broer was prior van Mariënhage: belangrijke mannen in de provincie dus. Het fresco moet uit een legaat van hun moeder betaald zijn, want zij overleed in 1936. De vraag was vervolgens: wie staan er op? Het archief bood geen uitkomst, maar uiteindelijk vond ik in het augustijnse maandschrift Moeder van Goede Raad een artikel uit 1938 waarin alles uit de doeken wordt gedaan. De hieronder vermelde gegevens zijn ook opgenomen in Augustijns Forum 2015-03 (jrg 14) p. 14   

 

Het oude zegel als voorbeeld 

 

(rechtsonder) Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster Mariënhage(Linksonder) Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster Mariënhage In het midden is natuurlijk Christus aan het kruis afgebeeld, geflankeerd door Augustinus (met aureool) en Monica (knielend), een voorstelling die ontleend is aan het oude ordeszegel, dat linksonder zelf ook weergegeven wordt; een nieuwer zegel is rechtsonder te vinden. De augustijner eremiet die in het oude zegel aan de voet van het kruis knielt, is in het fresco vervangen door twee groepen augustijnse heiligen, de mannen links en de vrouwen rechts. 'Augustijns' is hier ruim opgevat: het gaat niet alleen om leden van de O.E.S.A., maar ook om mensen die op een of andere manier in de augustijnse traditie hebben geleefd. Daarbij moet wel bedacht worden dat de ordestraditie wilde dat de O.E.S.A. door Augustinus zelf gesticht was: zo bekeken zijn veel van deze heiligen met terugwerkende kracht toch ordesheiligen.

 

Vrouwen (rechts)  

 

(rechts) Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster MariënhageOm met de vrouwen te beginnen: naast Monica staat met boetegesel de zalige Christina van Spoleto (†1458), een bekeerde zondares en augustijnse tertiaris. Achter haar, met monstrans, staat de heilige Juliana van Luik (ca. 1192-1258), de grote heilige van de eucharistische devotie. Zij was geen augustines, maar een reguliere kanunnikes en als zodanig wel een 'regelvolger'. Knielend rechts van Monica de heilige augustines Rita van Cascia (1381-1457) met een doorn in het voorhoofd. Achter haar, met weegschaal als teken van de Drie-eenheid, de heilige augustijnse kloosterzuster Clara van Montefalco (1268-1308). Helemaal achteraan, met de lelie van de reinheid, de zalige Catharina Morigi van Pallanza (ca. 1437-1478), een eremites die haar orde de regel van Augustinus gaf. Naast haar, met martelaarspalm en donkerder gezicht, de vijfde-eeuwse martelares Maxima – patroonheilige van de huidige Nederlandse koningin? Rechtsboven met bloeiende staf, de heilige Melania de Jongere (ca. 383-439), een welgestelde Romeinse die bevriend was met Augustinus. 

 

Mannen (links) 

 

(links) Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster MariënhageLinks van Augustinus staat met martelaarsroos de vijfde-eeuwse Afrikaanse heilige Servus (†484), een van de Martelaren van Gafsa, die de Nederlandse provincie veel kloosternamen leverden (Rogatus, Liberatus en Maximus bijvoorbeeld). Achter hem, met kruis, de heilige paus Gelasius I (491-496), de laatste Afrikaanse paus en stichter van een gemeenschap van kanunniken die de regel van Augustinus volgde. Rechts van Augustinus, met mijter en boek, zijn vriend de heilige Alipius, bisschop van Thagaste († ca. 430). Naast hem, met ster en lelie, de heilige augustijn Nicolaas van Tolentino (ca. 1245-1305). De zalige augustijnse wonderwerker Andreas van Monte Reale (ca. 1397-1480) staat achter hem met hulsttakje van boetvaardigheid. De man met de eenhoorn van de zuiverheid is de zalige medebroeder Alphonsus van Orozco (1500-1591), hofprediker van keizer Karel V en koning Filips II. Linksboven, ten slotte, de heilige augustijn en bisschop Thomas van Villanova (1488-1555), die een bedelaar voedt.
      Toeval of niet: de afgebeelde mannen zijn allemaal patroonheiligen van Nederlandse augustijnen die in 1937 leefden (of juist overleden waren):Servus en Andreas Makaay, Gelasius Spoorenberg, Alipius Abels, Alfonsus Claesen, Thomas van der Vloodt.

 

De gebouwen 

 

(rechtsboven0 Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster Mariënhage(linksboven) Fresco van Charles Eyck in de refter van klooster MariënhageDe vrouwengroep staat vóór een slotklooster: de provincie was juist midden jaren dertig bezig plannen te maken voor de oprichting van een contemplatief klooster van monialen van de tweede orde. De mannen staan vóór de St. Pietersbasiliek in Rome, symbolisch centrum van de rooms-katholieke kerk. Een populaire notie in de orde was dat de augustijnen een speciale band hadden met de paus. Ordeshistorici wezen erop dat paus Alexander IV (1254-1261) de eigenlijke stichter van de augustijnen was, omdat hij in 1256 de vereniging van de orde had bewerkt. Bovendien hadden middeleeuwse augustijnentheologen, zoals Aegidius van Rome(ca. 1243-1316), het pauselijk primaat van een theologische onderbouwing voorzien. Ook in de moderne tijd, zo was de gedachte, zijn de augustijnen op bijzondere manier verknocht aan de Plaatsvervanger van Christus. 

 

Spreuk 

 

Boven de hele scene zweeft een banderol met de tekst Ante omnia, fratres carissimi, diligatur Deus, deinde proximus = Vóór alles, zeer geliefde broeders, worde God bemind, en vervolgens de naaste. Het zijn de woorden die aan de regel van Augustinus voorafgaan in de versie waarin die toen in de orde werd gebruikt. In feite is het het eerste gebod in de 'Ordo monasterii - Verordeningen voor het kloosterleven'. De Ordo en de Regel vormen samen de oudste documenten van het westerse religieuze gemeenschapsleven; zie hiervoor T.J. van Bavel in Ooit een land van kloosters. De verordening verwijst natuurlijk naar het evangelische dubbelgebod (Matteüs 22, 37-39). 

 

tekst: Brian Heffernan
foto fresco: Maxim Linssen 

Aanvullende literatuur:
• 'Melania de Jongere, een sterke vrouw' / Anthony Dupont, in: Gemeenschap van goederen: Augustinus in confrontatie met het heden (Augustinusdag 2006), Augustijns Historisch Instituut, 2007. p. 92-124.