Geschiedenis

De Magna Unio

De Grote Unie van eremieten die leefden volgens de Regel van Augustinus

Vita apostollica

 

De groeiende populariteit van Augustinus' Regel in de twaalfde en dertiende eeuw onder clerus en leken kan men alleen maar verklaren vanuit de pogingen tot hervorming van de kerk. De vernieuwing van de kerk in de twaalfde eeuw viel in feite samen met een sterk verlangen naar het leven van de apostelen dat als norm diende voor een waarachtig christelijk bestaan. Dit apostolische leven nodigde christenen uit om in het voetspoor van de apostelen predikend rond te trekken. Want wie als een apostel leefde, zo redeneerde men, mocht het recht van prediking niet onthouden worden. Zo strekte de reikwijdte van de vita apostolica zich uit tot alle gelovigen die de evangelische boodschap van liefde manifesteerden zowel in een voorbeeldig leven als door de verkondiging van het woord Gods. Dit nieuwe religieuze elan deed het onderscheid tussen monnik, eremiet, reguliere kanunnik, clericus en prediker vervagen. Bovendien maakten de pas ontstane religieuze gemeenschappen geen gebruik van bestaande kloosterstructuren.

Een eremietenkluis bij LeccetoTegen het eind van de twaalfde eeuw ontstonden ook in de steden bewegingen van kerkhervormende aard. Het concilie van Lateranen IV (1215) had het stichten van nieuwe orden met eigen structuren een halt toegeroepen. Van toen af moesten de pas ontstane religieuze bewegingen zich plaatsen onder een reeds bestaande Regel.

Het proces van monachalisering van eremieten-predikers zette zich voort tot in de dertiende eeuw. Paus Innocentius IV verordende met de bullen Incumbit nos en Praesentium vobis (16 december 1243) dat alle Toscaanse eremieten de Regel van Augustinus zouden aannemen, dezelfde gewoonten zouden volgen en dezelfde professieformule zouden gebruiken.

Een eremietenkluis bij Lecceto

 

De kleine unie in 1244

 

In maart 1244 hielden, onder leiding van de energieke kardinaal Richard Annibaldi (+1276) en in het bijzijn van twee cisterciënzer abten, de Toscaanse eremieten een kapittel conform de bepalingen van het concilie van Lateranen IV. Ieder ermitage zond twee afgevaardigden. Men zag er op toe dat de Constituties die werden samengesteld, de Regel van Augustinus niet tegenspraken. Als orde ontstaan in 1244, breidde het aantal kloosters van de Eremieten volgens de orde van Sint Augustinus zich onder pauselijke bescherming aanzienlijk uit. In het begin lagen de voornaamste centra rond Lucca en Siena in de gebieden Toscane en Lazio. Maar in 1250 waren er al 61 ermitages: ook in Ligurië, Umbrië en de Romagna. En in hetzelfde jaar werd het eerste klooster in Rome gesticht. Reeds vóór 1255 hadden de eremieten nederzettingen in Spanje, Engeland, Frankrijk, Duitsland en ook in de Nederlanden.

De paus verbond aan deze eerste unie van eremieten een apostolische opdracht. Hij gaf hun de taak om te preken en biecht te horen in de stedelijke samenleving. De apostelnamen van de stadskloosters, zoals San Marco (Milaan) en San Giacomo (Bologna), duidden op de vita apostolica die men wilde volgen. Tevens ontsloeg de paus hen van de verplichting te leven volgens de Regel van Benedictus of van elke andere Regel dan die van Augustinus. Zij werden begunstigd met een aantal privileges en dienden voortaan het koorgebed te bidden volgens de gebruiken van de pauselijke curie. Op 25 september 1245 verleende de paus deze gunsten ook aan de huizen van de nieuwe orde elders in Europa. Dit werd op 31 maart 1253 nog eens bevestigd door de tekst van de gunstbrief te zenden naar alle prioren en broeders eremieten wonende boven de Alpen. Paus Alexander IV (+1261) had tijdens de onenigheden tussen seculiere clerus enerzijds en minderbroeders en predikheren anderzijds de nieuwe orden gesteund. Op 9 december 1255 richtte hij zich bijzonder tot de prioren en broeders eremieten in Duitsland.

 

Magna Unio

 

Met de bul Cum quaedam salubria van 15 juli 1255 riep hij de Eremieten volgens de orde van Sint Augustinus en enige andere orden bijeen voor een tweede verenigingskapittel. Het werd te Rome gehouden in maart 1256 en goedgekeurd op 9 april 1256 blijkens de bul Licet ecclesiae catholicae. Daarmee was de tweede unie van eremieten, de Magna Unio (Grote Unie), een feit. Ook de ermitages en kloosters waarvan geen afgevaardigden waren verschenen, kregen van de paus de opdracht zich bij de Magna Unio aan te sluiten. Deze unie verenigde de volgende reeds bestaande orden:

1. De eremieten volgens de orde van Sint Augustinus. Deze orde was het resultaat van de eerste unie van verschillende Toscaanse ermitages in 1244. Aan een van deze groepen had paus Innocentius IV reeds eerder de Regel van Augustinus voorgeschreven.

2. De wilhelmieten, volgelingen van Wilhelmus van Malavalle (+1157). Zij hadden zich verspreid over Italië, Duitsland, Hongarije, Frankrijk en de Nederlanden. Rond 1230 namen hun talrijke kloosters de Regel van Benedictus aan. Terwijl ze in 1244 niet waren uitgenodigd om deel te nemen aan de eerste unie van eremieten, werd hun toetreding tot de Magna Unio van 1256 wel gestimuleerd.

3. De orde van Johannes Bonus. De janbonieten waren volgelingen van Johannes Bonus. Geboren te Mantua, was hij veertig jaar jongleur geweest totdat hij zich in 1209 terugtrok in een kluis in de buurt van Cesena waar hij in 1249 stierf. De orde had elf kloosters in Italië. Paus Honorius III gaf in 1225 de janbonieten de Regel van Augustinus.

4. De eremieten van Brettino. Zij noemden zich naar hun eerste klooster Sanctus Blasius de Brittinis, gelegen in een eenzame streek bij Fano in de Mark Ancona. De brettinen volgden een zeer strenge leefwijze. Nicolaas van Tolentino (+1305) kwam uit hun midden voort. In 1234 schreef paus Gregorius IX hun de Regel van Augustinus voor.

5. De eremieten van Montefavale in de Mark Ancona. Zij waren volgelingen van Johannes de la Caverne. Volgens sommigen behoorden zij tot de orde der wilhelmieten en sloten zij zich later bij de cisterciënzers aan. Ook andere groepen waren tot de Magna Unio toegetreden: de eremieten van Lecceto, van Vallis Hirsuti, Turris Palmarum, Sancta Maria de Rupe Cava, Sancta Maria te Murceto, van de heilige Jacobus te Molinio en de eremieten van Lupocavo in de buurt van Lucca waar rond 1223 vijf ermitages een consortium hadden gevormd. Dat verbond was in 1243 uitgegroeid tot een federatie van dertien ermitages.

 

Het staat niet vast dat de bul Cum quaedam salubria aan alle bovenstaande groepen werd gericht. Sommige werden wellicht pas in tweede instantie uitgenodigd om aan de Magna Unio deel te nemen. Zo ontving de Lombardische provincie van de orde der katholieke armen pas na 9 april 1256 de opdracht zich aan te sluiten. Men krijgt uit de verschillende documenten de indruk dat paus Alexander en kardinaal Annibaldi aanvankelijk het plan koesterden om alleen de augustijnen eremieten en de wilhelmieten te verenigen. Van bovengenoemde groeperingen sloten uiteindelijk niet alle kloosters zich bij de Magna Unio aan, terwijl de wilhelmieten op 22 augustus 1256 verlof kregen om weer uit de unie te treden. De wilhelmietenkloosters in Duitsland en Hongarije bleven overigens wel binnen de Magna Unio. De brettinen verlieten de Unie niet maar kregen in 1260 verlof om hun leefwijze als kluizenaar weer op te nemen.

  

Het doel van de Magna Unio

 

De verschillende groeperingen eremieten werden in 1256 geünieerd tot de Ordo Eremitarum Sancti Augustini (OESA). Deze naam gebruikte men in 1256 niet voor het eerst. Reeds op 31 juli 1255 had Alexander IV aldus de eremietenorde aangeduid die in 1244 was ontstaan. Toen men in 1256 van de verschillende groepen die volgens de leefwijze of orde van Sint Augustinus leefden, een kerkelijk instituut wilde maken, zou hun verzamelnaam Orde van de Eremieten volgens de orde van Sint Augustinus moeten gaan luiden. Men liet echter het tweede 'orde' weg, deels om redenen van stilistische aard, deels omdat het eerste 'Orde' een andere betekenis had dan het tweede: een jurische term resp. een vorm van leven onder een Regel.

De paus wilde voorkomen, dat verschillende religieuze elementen in de Kerk door gebrek aan coherentie en leiding in verwarring werden gebracht en verstrooid zouden raken. Hij wenste een 'sterk leger te vormen waarin geen innerlijke verdeeldheid zou ontstaan'. Ten tijde van de Magna Unio speelden er immers ernstige onenigheden binnen de orde der minderbroeders: na de dood van Franciscus in 1226 waren er in die orde drie richtingen ontstaan.

In zijn streven naar bundeling trachtte de paus de soms wel erg uiteenlopende onderlinge verschillen tussen de groepen eremieten te minimaliseren door vast te stellen, dat zij allen eremieten waren en dat er bij hen nauwelijks verschil in professie bestond. Ofschoon allen inderdaad als kluizenaars in gemeenschap leefden, waren sommige groepen echter gebonden aan de Regel van Benedictus, de meeste andere aan die van Augustinus, en kende de ene groep een strengere armoedebeleving dan de andere. Maar men moest niet denken, zo suggereerde de paus, dat alle groepen die geünieerd werden, zich hadden aangesloten bij een reeds bestaande orde. Veeleer zou door de Magna Unio tussen de groeperingen een zodanige band moeten ontstaan dat geen enkele groep boven de andere uitstak en dat uit hen een nieuwe orde was geboren.

Inderdaad kon tijdens het verenigingskapittel van 1256 de ene groep de andere niets opleggen. Alles moest geschieden bij meerderheid van stemmen. Uit het verslag van de Magna Unio kan men echter opmaken dat alle deelnemers tijdens het verenigingskapittel ermee instemden dat alle andere groepen in hun geheel overgingen tot de professie en de observantie van de orde die reeds in 1244 in Toscane was gevormd. Hoe moet men anders uitleggen dat degenen die geen lid waren van de in 1244 gestichte orde, ontslagen werden van hun eerdere professie? In feite werden de sinds 1244 bestaande eremieten volgens de orde van Sint Augustinus uitgebreid met andere groeperingen. Deze interpretatie wordt bevestigd door de eerste geschiedschrijvers van de augustijnenorde in de veertiende eeuw. De eerste prior-generaal van de nieuwe augustijnenorde, Lanfrancus Septala van Milaan (+1264), kwam overigens uit de orde der janbonieten waarvan hij sinds 1252 prior-generaal was.

 

De regel van de liefde / Martijn Schrama OSA Tekst: Martijn Schrama OSA

literatuur:  De regel van de liefde, over de volgelingen van Augustinus
zie publicaties