Home

15 november  Opgaan naar het eeuwig feest

En.Ps. 41,9




In het verborgene bezit God een hoogverheven huis; maar ook op aarde heeft Hij zijn "tabernakel". Deze woonstede op aarde, zijn Kerk, is nog op pelgrimstocht. Hier echter moet God gezocht worden want in de woonstede vindt men de weg, waarop men tot bij zijn huis komt. Ja, toen ik mijn ziel uitstortte boven mij om mijn God te bereiken, waarom heb ik dit gedaan? "Omdat ik zal ingaan tot de plaats van de tabernakel". Want buiten de plaats van de tabernakel zal ik ronddwalen, op zoek naar mijn God. Ik zal ingaan tot de plaats van de tabernakel, de wonderbare tabernakel, tot het huis van God. Reeds bewonder ik veel in de tabernakel. Zie eens hoeveel ik bewonder in de tabernakel! De tabernakel immers van God op aarde, dat zijn de gelovigen; ik bewonder in hen de gehoorzaamheid van die leden. Ik zie ook hoe de ziel God gehoorzaamt, hoe zij overal werkt met ijver, de begeerten beteugelt, de onwetendheid uitdrijft, zich voegt in het verdragen van veel wat hard en ruw is en gerechtigheid en liefde aan anderen bewijst. Ik bewonder ook deze deugden in de ziel, maar toch wandel ik nog in de tabernakel! Ik ga dan ook hier doorheen en, hoe bewonderenswaardig de tabernakel is, ik verstom als ik aankom in het huis van God. Daar is werkelijk de bron van kennis, in het heiligdom van God, in het huis van God. Daar heeft de psalmzanger de laatste dingen begrepen. Terwijl hij dan de onderdelen van de tabernakel bewondert, wordt hij geleid tot het huis van God, door het volgen van iets zoets, van ik weet niet welke innerlijke en verborgen geneugte, alsof uit het huis van God een liefelijke melodie van een instrument klonk. Terwijl hij dus rondging in de tabernakel, kwam hij op het horen van dit geluid van binnen, door de zoete melodie geleid, de muziek volgend en zich losmakend van al het gedruis van vlees en bloed, tot in het huis van God. In dat huis is het een eeuwig feest. Daar is niet iets wat wordt gevierd en dan weer voorbijgaat. Een eeuwig feest, een engelenkoor; de aanwezigheid van Gods aanschijn, een vreugde waaraan niets ontbreekt. Deze feestdag is zo dat hij niet wordt geopend met een begin, noch wordt beëindigd met een besluit.