Home

28 maart  Verlangen naar de doop




Hippo, kort voor Pasen, het jaar 391 of 397

Geeft gij nu uw woord aan uw Verlosser. Vertrouwt u aan Hem toe, gij, geheel die schare van nieuwe mensen, en gij, die geboren gaat worden, allen die de Heer gemaakt heeft, weest behulpzaam om uw geboorte voorspoedig te laten verlopen, om niet als een miskraam ten dode te zijn opgeschreven. Ziet eens hoe de schoot van uw Moeder, de heilige Kerk, ziet hoe deze, om u ter wereld te brengen, en u binnen te leiden in het licht van het geloof, in haar barensweeën zucht. Looft, gij pasgeborenen, looft uw God, looft, gij pasgeborenen, looft uw Heer. Looft Hem, nu gij de moedermelk ontvangt, looft Hem, nu gij wordt gevoed, neemt toe in wijsheid en jaren, nu gij vast voedsel krijgt. Hij, uw Verlosser, heeft ook deze tijdsduur van het geboorteproces aanvaard, Hij, die in niets afneemt door gebrek aan dagen, en die in niets toeneemt door een lengte van dagen, heeft alle beperktheid en tijd uitgesloten van zijn eeuwigheid. "Wilt nu niet" - zoals die welwillende opvoeder zijn klein kind aanraadt - "kinderen worden in uw denken, maar weest kleine kinderen in de boosheid. Weest in uw denken volwassen mensen". Als "competentes" moet gij ook op "competente" wijze groeien in Christus, om in uw jeugd tot de volmaakte mannenmaat uit te groeien. "Verheugt", zoals er geschreven staat, "door uw groei in wijsheid, uw vader en wilt door het afnemen ervan uw moeder niet bedroeven". Schept behagen in wat gij zult zijn; gij zult immers kinderen van God zijn, ja, zijn aangenomen kinderen. Dat zal u om niet worden gegeven, en om niet u worden geschonken. Naarmate gij erkentelijker zult zijn jegens Hem van wie gij dit hebt ontvangen, zult gij er ook ruimer en overvloediger van genieten. Gaat naar Hém toe die de zijnen kent. Dan toch zal Hij het niet beneden zich achten u onder de zijnen te erkennen, als gij, bij het noemen van de naam des Heren "ver blijft van ongerechtigheid". Gij hebt uw eigen ouders of gij hebt ze in de wereld gehad; zij hebben u voortgebracht voor het werk, voor het lijden en de dood; maar christen, erken Hém als uw Vader, die u, terwijl zij u verlieten, heeft opgenomen, bij het verlaten van de schoot van uw moeder. God is uw Vader, de Kerk uw Moeder. Geheel anders zult gij uit dezen worden geboren dan gij het waart uit hen. Gij zijt uitverkoren, bemind, van tevoren gekend, geroepen; maar gij moet nog toenemen in heiligheid om te komen tot de heerlijkheid; groeit op en wordt sterker, wordt rijker als gelovigen en neemt toe in krachten, om in uw hoge ouderdom, rustig, de werken des Heren aan te kondigen, want Hij die machtig is, heeft voor u grote dingen gedaan: groot is toch zijn naam en onmetelijk zijn wijsheid.