Basiliek "Restituta - te Carthago dec. 419
Zojuist hebben wij tot God de Heer gezongen en Hem gevraagd zich af te wenden van onze zonden, en al onze misdaden uit te wissen. Toch kunt gij u ook nog wel herinneren wat elders tot God wordt gezegd: "Heer wend uw aanschijn niet van mij af", terwijl wij hier hebben gezegd: "Keer uw aanschijn af van mijn zonden". Aangezien nu één en dezelfde persoon zowel mens als zondaar is, zegt de mens: "Keer uw aanschijn niet van mij af" en zegt de zondaar: "Keer uw aanschijn af van mijn zonden". Dat komt hierop neer: keer uw aanschijn niet af van hem die gij hebt gemaakt, maar keer uw aanschijn af van dat wat ik heb gedaan. Uw oog zegt hij, moet de twee weten te onderscheiden; anders zal de mens te gronde gaan vanwege zijn zonde. Gij hebt iets gemaakt en ik heb iets gedaan. Wat Gij hebt gemaakt, heet "natuur", wat ik heb gedaan, heet "ondeugd". Moge de ondeugd genezen en de natuur gered worden. "Ik beken", zegt de psalmist, "mijn misdaad". Als ik toegeef, vergeef Gij mij dan. Proberen wij goed te leven; en als wij goed leven, laten wij dan helemaal niet denken zonder zonde te leven. Laat men ons gedrag loven, maar laten wij toch nooit na vergeving te vragen. Er zijn echter hopeloze mensen die des te minder letten op eigen kwaad, naarmate zij meer oog hebben voor andermans kwaad. Want zij zijn er niet op uit zichzelf te beteren, maar anderen te bekritiseren. In de onmogelijkheid om zichzelf te verontschuldigen, staan zij klaar anderen te beschuldigen. Dát is het voorbeeld niet ons door de psalmist gegeven, als hij bidt en voldoening brengt aan God met de woorden: "Ik beken mijn misdaad en mijn zonde staat mij steeds voor ogen". Die man was echt niet bezig met andermans zonden. Alle aandacht richtte hij op zichzelf, hij maakte zich niets wijs, integendeel, hij drong door in zijn binnenste en daalde af tot zijn diepste wezen. Hij ontzag zichzelf niet en daarom vroeg hij zonder vermetel te zijn dat men hém zou ontzien. Want de zonde kan niet ongestraft blijven. Als de zonde ongestraft blijft, is dat onrechtvaardig; dus zonder twijfel moet de zonde worden gestraft. Uw God spreekt u aldus toe: "Uw zonde moet gestraft worden, ofwel door uzelf, ofwel door Mij". Gestraft dus wordt de zonde: of door de boetvaardige mens, of door de oordelende God.