Home

17 november  Een bruiloftslied




Met aandrang vraag ik u, dat gij evenveel aandacht moogt hebben bij het overdenken van deze psalm samen met ons, als wij vreugde hebben beleefd bij het zingen met u. Deze psalm wordt immers gezongen bij gelegenheid van een heilige bruiloft, ter ere van de bruidegom en de bruid, van de koning en het volk, van de Verlosser en van hen die Hij moet verlossen. Wie met een bruiloftskleed naar de bruiloft komt en de eer van de bruidegom beoogt en niet de zijne, luistert niet alleen met aandacht, maar neemt deze woorden ter harte, om ze niet vruchteloos te laten zijn. Wij moeten beseffen dat wij het zijn voor wie deze psalm wordt gezongen. Verheugen wij ons dan op die bruiloft en wij zullen behoren tot hen die zelf in dit huwelijk treden, die ertoe zijn uitgenodigd, en waar de genodigden zelf de bruid zijn. Want die bruid is de kerk en de bruidegom is Christus. Alles wat daar wordt gezongen, wordt gezongen ter ere van de bruidegom en de bruid. Zal men dan misschien zeggen dat bij die bruiloft waartoe wij zijn uitgenodigd geen sprake is van een bruidsvertrek? Vanwaar komt dan die uitdrukking van een andere psalm: "Hij heeft voor de zon een tent opgeslagen, en Hij is als een bruidegom, die uit zijn bruidsvertrek treedt ". De vereniging van Woord en vlees is een huwelijksverbintenis; en het bruidsvertrek waar deze verbintenis tot stand is gekomen, is de schoot van de maagd. Want het vlees zelf gaat een verbintenis aan met het Woord; vandaar ook dat gezegd wordt: "Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn." De Kerk is genomen uit het mensdom; bijgevolg werd dat vlees zelf verenigd met het Woord, Hoofd van de Kerk, en konden de overige gelovigen de ledematen van het Hoofd worden. Wilt gij nu zien wie ter bruiloft is gekomen? "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God". Laat de bruid zich verheugen omdat zij bemind wordt door God. Wanneer bemind? Toen zij nog lelijk was. "Want allen hebben gezondigd", zegt de apostel, "allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid". Ook zegt hij nog: "Want Christus is voor goddelozen gestorven". Zij is bemind ondanks dat zij lelijk was, met de bedoeling dat zij niet lelijk zou blijven. Hoe was die bruid toen Hij tot haar kwam, en wat heeft Hij van haar gemaakt? Laat de Bruidegom zelf tot ons komen: laten wij Hem liefhebben; of laten wij Hem niet liefhebben als wij in Hem iets lelijks aantreffen. Zie, zelf heeft Hij veel lelijks in ons aangetroffen en toch heeft Hij ons liefgehad; laten wij Hem niet liefhebben als wij iets lelijks in Hem aantreffen. Want ook daarin zelfs dat Hij het vlees heeft aangetrokken zodat over Hem werd gezegd: "Wij hebben Hem gezien en Hij had geen aanzien meer en geen luister". Is het geen grote schoonheid, als wij letten op de barmhartigheid die Hem daartoe heeft gebracht?