Home
2 september Het doet mij goed, Heer, U te belijden
Wanneer zou ik genoeg tijd vinden om al uw grote weldaden te vermelden, in die dagen aan ons bewezen, te meer nu ik haast heb om tot andere, nog grotere weldaden over te gaan? Want mijn herinnering roept mij weer terug en het doet mij goed, Heer, U te belijden, met welke innerlijke prikkels Gij mij geheel hebt getemd, en hoe Gij mij hebt geëffend door de bergen en heuvels van mijn gedachten te slechten, en hoe Gij wat krom was in mij recht hebt gemaakt en wat stug was, verzacht. Hoe hebt Gij ook Alypius, de broeder van mijn hart, onderworpen aan de naam van uw Eniggeborene, "onze Heer en Heiland, Jezus Christus," een naam die hij aanvankelijk niet waardig achtte, om in onze geschriften in te lassen. Want hij wilde liever dat zij geurden naar de ceders van de scholen, die de Heer al "gebroken heeft", dan naar de heilzame kruiden van de Kerk, die een afweermiddel zijn tegen de slangen. Wat heb ik tot U, mijn God, geroepen toen ik de psalmen van David las, gezangen vol geloof en klanken vol godsdienstzin, zonder een spoor van gezwollenheid! Ik was toen nog onervaren in de echte liefde tot U, en bracht als katechumeen op het landgoed mijn vakantie door, met Alypius. Mijn moeder voegde zich bij ons; zij was naar het uiterlijk een vrouw maar zij had het geloof van een man, de rustige zekerheid van een bejaarde, de liefde van een moeder, de vroomheid van een christin! Hoe riep ik tot U in die psalmen en hoe vlamde ik door hen naar U op en werd ik aangewakkerd om ze, als ik gekund had, over de hele wereld voor te dragen tegen de trots van het menselijk geslacht! Toch worden ze over de hele wereld gezongen en "niemand is er, die zich verbergen kan voor uw gloed!"