Home

8 september  Overdenking bij de dood van Monica

Voor God een open boek




Nu dan, nu mijn hart is genezen van de wonde waarin men mij een te zinnelijke genegenheid zou kunnen verwijten, stort ik voor U, onze God, voor deze, uw dienares, een heel ander soort tranen. Zij komen voort uit een geest die geschokt is door de overweging van de gevaren van iedere ziel die in Adam sterft. Zeker, zij heeft, in Christus tot leven gewekt, ook toen zij nog niet van het lichaam ontbonden was, zó geleefd, dat uw naam geprezen wordt om haar geloof en levenswandel. Toch durf ik niet te zeggen, dat, sinds Gij haar door het doopsel hebt doen herboren worden uit haar mond nooit een woord is gekomen dat inging tegen uw gebod. Ook is door de Waarheid, uw Zoon, gezegd: "Wie tot zijn broeder zegt: dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel". Wee ook het mensenleven, al is het prijzenswaard, indien Gij het met terzijdestelling van uw barmhartigheid, zoudt onderzoeken! Omdat Gij echter onze tekortkomingen niet met strengheid nagaat, hopen wij vol vertrouwen op een plaats bij U. Wie U echter zijn werkelijke verdiensten opsomt, wat somt hij U anders op dan uw gaven? O, als mensen eens erkenden dat zij mensen zijn, als "degene die roemt eens roemde op de Heer!" Daarom, mijn Lof en mijn Leven, God van mijn hart, laat ik nu voor een ogenblik haar goede daden waarvoor ik U met vreugde dank, ter zijde, en smeek ik U om vergeving voor de zonden van mijn moeder. "Verhoor mij" omwille van de Medicijn voor onze wonden, die aan het hout heeft gehangen, en die, "aan uw rechterhand" gezeten, "voor ons bij U ten beste spreekt". Ik weet, dat zij barmhartigheid heeft beoefend en van harte de schulden heeft vergeven aan haar schuldenaars: vergeef ook Gij haar schuld aan haar, als zij er nog enige heeft gemaakt in de loop van die vele jaren na het water van het heil. Vergeef, Heer, vergeef, smeek ik U; "treed niet" met haar "in het gericht". Laat "de barmhartigheid zegevieren over het oordeel"; want uw uitspraken zijn waar en Gij hebt aan de barmhartigen barmhartigheid beloofd. Dat zij barmhartig waren hebt Gij hun geschonken, Gij, "die U zult ontfermen over wie Gij u ontfermt en barmhartig zijn, wie Gij barmhartig zijt."