Home
20 januari De mens wordt ellendiger en God komt nader
Aan U de lof, aan U de eer, bron der barmhartigheden! Ik werd ellendiger en Gij kwaamt naderbij. Uw rechterhand naderde meer en meer om mij uit de modder te trekken en af te wassen, en ik wist het niet. Eén ding weerhield mij ervan nog dieper te verzinken in de kolk van de wellust: de vrees voor de dood en voor uw komend oordeel, die bij alle wisseling van mijn opvattingen toch nooit uit mijn hart is geweken. Ik redeneerde met mijn vrienden, Alypius en Nebridius, over het hoogste goed en het ergste kwaad. Epicurus zou volgens mij de palm hebben weggedragen, als ik niet had geloofd aan het voortbestaan van het leven van de ziel na de dood en aan vergelding naar verdiensten, waaraan Epicurus niet wilde geloven. Ik vroeg mij dan ook af: Als wij nu eens onsterfelijk waren en in voortdurende zinsgenot zouden leven, zonder enige angst dat te verliezen, waarom zouden wij dan niet gelukkig zijn, of wat zouden wij verder nog zoeken? Ik wist echter niet, dat juist dit mijn grote ellende uitmaakte, dat ik zó weggezonken en verblind, mij geen denkbeeld kon vormen van de luister van de deugd en van de schoonheid die om haarzelf liefde waard is. Zij wordt echter niet gezien met het lichamelijke oog, doch van binnen uit. Wat een kronkelwegen! Wee, mijn vermetele ziel, die hoopte als zij zich van U verwijderde, iets beters te zullen vinden! Al wendt en keert zij zich op de rug, op de zijden, op de buik: alles is hard; Gij alleen zijt de Rust. En zie, daar komt Gij en verlost ons van onze ellendige dwalingen, en Gij bevestigt ons op de weg en troost ons en zegt: loopt, Ik zal u dragen, Ik zal u leiden naar uw doel en ook daar zal Ik u dragen.