Home
11 september Behoefte om te belijden
"Ontferm U over mij in uw grote barmhartigheid", ter wille van uw naam; en wat Gij begonnen zijt laat dat niet onaf, en voltooi wat nog onvolmaakt is in mij. Dit is de vrucht wanneer ik belijd: niet hoe ik geweest ben, maar hoe ik ben; en daarom belijd ik dit niet alleen in uw tegenwoordigheid, eenzaam jubelend maar met ontzag en eenzaam treurend maar met hoop. Ik belijd ook voor de oren van de mensenkinderen: deelgenoten van mijn vreugde en lotgenoten van mijn sterfelijkheid, mijn medeburgers en reisgezellen, mensen die mij voorafgaan en na mij komen en mij vergezellen op mijn levensweg. Deze mensen zijn uw dienaren en mijn broeders; Gij hebt gewild dat uw zonen mijn meesters zouden zijn, die ik naar uw bevel moet dienen als ik met U, van U wil leven. Ik ben maar een klein kind, maar mijn Vader leeft altijd en Hij is voor mij een bekwaam beschermer. Eén en dezelfde is het die mij geschapen heeft en die mij beschermt; en Gijzelf zijt al mijn goed, Gij, Almachtige, die met mij zijt, ook voordat ik met U was. Ik zal dus bekend maken aan die mensen aan wie Gij mij beveelt dienstbaar te zijn: niet wie ik geweest ben, maar wie ik al ben en wie ik nog ben; maar "ik oordeel niet over mij zelf". Laat men dus zo naar mij luisteren. Gij, Heer, oordeelt mij immers, "ook al weet niemand van de mensen wat in de mens omgaat, behalve de geest van de mens die in hem is;" toch is er iets in de mens, wat ook de geest van de mens die in hem is, niet weet; Gij echter, Heer, die hem gemaakt hebt weet alles van hem. Hoewel ik mijzelf voor uw aangezicht gering acht en mij reken als stof en as, weet ik toch iets van U, wat ik over mijzelf niet weet. Zeker, thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, nog niet "van aangezicht tot aangezicht". Zolang ik dus onderweg ben, ver van U, ben ik daarom mijzelf nader dan U. Ik wil dus belijden wat ik van mijzelf weet, ik wil ook belijden wat ik van mijzelf niet weet; want wat ik van mijzelf weet, weet ik door uw verlichting, en wat ik van mijzelf niet weet, zal ik zolang niet weten, totdat mijn "duisternis" wordt "als de middag" voor uw aangezicht.