Carthago, basiliek Restitula tussen 412-420
Welke was de aanleiding die de Heer kreeg aangeboden om over dat gastmaal te spreken? Een van de aanliggenden had tijdens een maaltijd waar de Heer ook was genodigd uitgeroepen: "Gelukkig zij die maaltijd houden in het Koninklijkrijk Gods!" Deze man verzuchtte naar iets dat hij nog veraf achtte, terwijl het Brood zelf voor hem aanlag. Kan het brood van het Rijk Gods iemand anders zijn dan Hij die heeft gezegd: "Ik ben het levend brood dat uit de hemel is neergedaald"? Open dus niet uw mond, maar uw hart. Dát geeft de grote waarde aan dat feestmaal. Wij geloven in Christus en gelovig ontvangen wij Hem. Bij het ontvangen weten wij wat wij moeten overdenken. Wij ontvangen naar weinig, en ons hart wordt erdoor gevoed. Wat ons voedt, is dus niet wat wij zien, maar wat wij geloven. Wij hebben dan ook het getuigenis van die uitwendige zintuigen niet ondervraagd; ook hebben wij niet gezegd: Degenen die de verrezen Heer hebben gezien, hebben geloofd, als het tenminste waar is wat wordt gezegd: dat ze Hem met hun ogen hebben gezien en met hun handen betast; wij raken Hem niet aan, hoe komen wij dan tot het geloof? Als wij zo'n opvatting hadden, dan zouden wij door die vijf span ossen verhinderd worden om aan het feestmaal deel te nemen. Laten wij dus alle onbeduidende en verkeerde voorwendsels opruimen, en naar het feestmaal komen om innerlijk gevoed te worden. Laat hooghartigheid, die aanleiding geeft tot verwaandheid, geen beletsel voor ons zijn, laat ongeoorloofde nieuwsgierigheid ons niet verwaand maken of ons schrik aanjagen en ons verwijderen van God: laat het zingenot geen beletsel stellen voor het genot van het hart. Laten wij gaan en verzadigd worden. Wie kwamen dan naar het feestmaal? Alleen armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden. Wie daar niet kwamen: dat waren de rijken, gezond en wel, de welgestelden, die dachten rechte wegen te gaan en met scherpe blik de dingen opnamen; met een ontstellende eigendunk, en des te hopelozer naarmate verwaander. Komt, bedelaren, omdat Hij uitnodigt "die om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat de armen rijk zouden worden door zijn armoede". Komt, gebrekkigen, "want niet de gezonden hebben een geneesheer nodig, maar de zieken". Komt, kreupelen, en zegt Hem: "Laat mijn schreden uw spoor houden". Komt, blinden, en zegt Hem: "Wil mijn ogen verlichten dat ik niet inslaap ten dode". Deze mensen kwamen op tijd, terwijl de eerst genodigden om hun verontschuldiging werden verworpen; zij kwamen op tijd en gingen binnen uit alle straten en wijken van de stad. "De dienaar", die was uitgezonden, zei: "Heer, wat gij hebt bevolen is gebeurd, en nog is er plaats". "Ga naar de wegen en binnenpaden", zei de heer "en nodig de mensen dringend uit binnen te komen." Wacht niet tot zij vanzelf komen: dwing hen die gij aantreft, binnen te komen. Een grote dis, een groot huis heb ik gereed gemaakt, ik duld niet dat een plaats onbezet blijft.