Home

7 februari  Als pelgrims




Tussen het jaar 410-419

In het Oude Verbond wordt de belofte voorafgebeeld; in het Nieuwe wordt zij geestelijk verstaan. Omdat het Jeruzalem van deze aarde behoort tot het Oude Verbond, is het een beeld van het hemelse Jeruzalem dat tot het Nieuwe behoort. De lichamelijke besnijdenis is eigen aan het Oude Verbond; de geestelijke besnijdenis is eigen aan het Nieuwe. De Egyptische achtervolgers en de Farao achtervolgden de Joden bij hun uittocht uit Egypte; hun eigen zonden en de duivel, hoofd der zondaren, achtervolgden de christenen. Zoals nu de Egyptenaren de Joden achtervolgden tot aan de zee, zo worden de christenen achtervolgd door hun zonden tot aan de doop. Let goed op en ziet eens, hoe de Joden worden bevrijd door de golven, en hoe de Egyptenaren worden bedolven onder de golven, hoe de christenen worden bevrijd door de vergeving van hun zonden: hoe hun zonden worden uitgewist door de doop. Na hun doortocht door de Rode Zee gaan de Joden vandaar weg en trekken door de woestijn; zo komen ook de christenen na hun doopsel nog niet in het Beloofde land, maar leven zij in hoop. Het leven in deze wereld echter is als een woestijn; en het is werkelijk voor de christen na de doop een woestijn, als hij begrijpt wat hij heeft ontvangen. Ja, als de sacramenten voor hem niet alleen maar lichamelijke tekens zijn: als zij ook in het hart een geestelijke uitwerking hebben, dan weet hij, dat deze wereld voor hem een woestijn is, dan weet hij, terwijl hij op pelgrimstocht is, te verlangen naar het Vaderland. Zolang hij echter verlangt, hoopt hij. "In deze hoop zijn wij gered", maar men spreekt niet van hopen, als men het voorwerp van zijn hoop reeds aanschouwt. Wie verwacht nog wat hij al ziet? Daar onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met standvastigheid. Dat verlangen tijdens onze woestijntocht wekt een zekere hoop op. Wie zich waant in het Vaderland, komt nooit aan in het Vaderland; als hij zich reeds in het Vaderland waant, blijft hij onderweg. Om echter niet onderweg te blijven, moet hij uitzien naar het Vaderland, moet hij verlangen naar het Vaderland, om niet af te wijken van de weg. Want bekoringen zijn er altijd. Zoals die er zijn in de woestijn, zo zijn ze er ook na de doop.