Home

27 oktober  Aanhoudend bidden




"Op de dag van mijn nood heb ik tot U geroepen, en toen hebt Gij mij verhoord". De reden dat Gij mij hebt verhoord is dat "ik op de dag van mijn nood tot U heb geroepen". Kort tevoren had de psalmist gezegd: "De gehele dag heb ik geroepen", de gehele dag ben ik in nood geweest. Geen enkele christen moet dus zeggen dat er een dag is zonder dat hij in nood is geweest. De gehele dag betekent de gehele tijd: de gehele dag is hij in nood. Welke is dan die nood ook als alles goed gaat? Toch is er nood. Vanwaar komt die nood? Omdat wij ,"zolang wij thuis zijn in het lichaam, ver zijn van de Heer". Welke dan ook onze overvloed hier is, toch zijn wij nog niet in dat vaderland waarheen wij met spoed onderweg zijn. Wie het verblijf in den vreemde aantrekkelijk vindt, houdt niet van het vaderland; als het vaderland aantrekkelijk is, dan is het verblijf in den vreemde bitter; is het verblijf in den vreemde bitter, dan is de hele dag een kwelling. Wanneer is er geen kwelling meer? Wanneer het vaderland aantrekkelijk is. Daar zal het gezwoeg en gezucht voorbij zijn; daar, geen smeekgebed maar lofgezang; daar het "Alleluia", daar het "Amen" in harmonie met dat der engelen; daar een aanschouwen zonder ophouden, en een liefde zonder tegenzin. Gij ziet het: zolang wij daar niet zijn, kunnen wij niet gelukkig zijn. Hebben wij dan niet alles in overvloed? Al zou er alles in overvloed zijn, zie dan eens of gij zeker zijt dat niet alles verloren gaat. Ik heb toch wat ik eerst niet had; er is geld bijgekomen dat er niet was. Misschien is ook de angst erbij gekomen die er niet was; misschien waart gij des te veiliger naarmate gij armer waart. Tenslotte, gegeven dat er rijkdom is, dat de overvloed van deze wereld uw deel is, dat de zekerheid om niets te verliezen er is; gegeven dat God u bovendien zegt: altijd zult gij dit houden, altijd zal dat alles het uwe blijven, maar mijn aanschijn zult gij niet zien. Niemand moet te rade gaan bij het vlees, gaat te rade bij de geest; laat uw hart u antwoord geven; laat geloof, hoop en liefde, die in u beginnen te groeien, antwoord geven. Als wij dan zekerheid zouden krijgen altijd overvloedig de aardse goederen te bezitten, en God zou ons zeggen: "Mijn aanschijn zult gij niet zien", zouden wij dan echt gelukkig zijn met al die goederen? Misschien zou iemand de vreugde verkiezen en zeggen: ik heb dat alles in overvloed; zo is het goed, meer verlang ik niet. Zo iemand heeft God nog niet lief; hij verlangt nog niet vurig naar Hem als vanuit den vreemde. Neen, neen: weg met al die verleidingen, weg met die leugenachtige betoveringen, weg met alles dat ons dagelijks toeroept: "Waar is uw God!" Wat er ook voor ons mag zijn buiten onze God, niets is aantrekkelijk; wij willen niets van wat Hij ons geeft, als Hij die ons alles heeft gegeven, niet zichzelf geeft.