Home
31 januari Moeizame bekering
Ik raasde in mijn geest, opgezweept en een en al verontwaardiging dat ik niet kwam tot een overeenkomst en een verbond met U, mijn God, terwijl "al mijn beenderen" schreeuwden dat ik daartoe moest komen en terwijl zij dat verbond hemelhoog prezen. Daarheen ging men niet op schepen, of wagens, of te voet, niet eens over de afstand die ik van dat huis was gegaan tot de plaats waar wij zaten. Want niet alleen het gaan daarheen, maar ook het bereiken van het doel was niets anders dan te willen gaan, maar dan krachtig te willen en helemaal, en niet halfslachtig heen en weer wenden en woelen, in een worsteling van vallen en opstaan. Ik deed heel veel dingen, waar willen en kunnen niet samenvielen. Toch deed ik niet datgene, wat mij met onvergelijkelijke aandrang aantrok en wat ik terstond zou kunnen, zodra ik het wilde, omdat ik het, zodra ik het wilde, ook beslist zou willen. Want hier was het vermogen om te doen hetzelfde als de wil, en het "willen" zelf was reeds het "doen". Toch kwam het niet tot "doen" en gehoorzaamde het lichaam gewilliger aan de geringste wil van de ziel, zodat de ledematen zich op haar wenk bewogen, eerder dan de ziel zelf aan zichzelf gehoorzaamde, om haar eigen sterke wil met de wil alleen door te voeren. Vanwaar dat tegennatuurlijk verschijnsel? Waarom is dat? Laat uw barmhartigheid mij verlichten, en laat mij vragen, of mij wellicht de verborgenheden van de straffen der mensen, en het lijden van de kinderen van Adam in de diepste duisternis mij antwoord geven. Vanwaar dat tegennatuurlijk verschijnsel? Waartoe is dat? De geest beveelt het lichaam en wordt terstond gehoorzaamd; de geest beveelt zichzelf en stoot op verzet. De geest beveelt dat de hand zich beweegt en dat is zo gemakkelijk, dat het bevel nauwelijks van de uitvoering onderscheiden kan worden. Toch is de geest geest maar de hand lichaam. Nu beveelt de geest dat de geest wil en het is één en dezelfde geest; en toch doet hij het niet. Vanwaar dat tegennatuurlijk verschijnsel? Waarom is dat? Degene die beveelt, zeg ik, om te willen, is degene die niet zou bevelen indien hij niet wilde, en hij doet niet wat hij beveelt. Maar het is zo: hij wil niet geheel en al, derhalve beveelt hij niet geheel en al. Hij beveelt namelijk in zover hij wil, en in zover hij niet wil, gebeurt niet wat hij beveelt. Want de wil beveelt dat er een wil is; geen andere wil beveelt, maar hij zelf. De wil beveelt dus niet volledig en daarom is hij niet wat hij beveelt. Was namelijk de wil volledig, dan zou hij niet bevelen dat hij er zijn moest, want dan wás hij er al. Het is dus geen tegennatuurlijk verschijnsel: ten dele "willen" en ten dele "niet willen", maar het is een ziekte van de geest, omdat deze niet helemaal de overhand krijgt als de waarheid hem omhoogtrekt, maar de gewoonte hem neerdrukt. Dat er twee willen zijn komt hierdoor, dat één van de twee niet volledig is en de één heeft wat de ander ontbreekt.