Home

3 juni  Maria en Marta

De honger van de Heer




Ca het jaar 405

Terwijl Marta druk doende was om de Heer te dienen, bleef Maria zitten aan 's Heren voeten en nam alle tijd om naar zijn woord te luisteren. De Heer zelf laat blijken hoe Hij dat luisteren op prijs stelt. Want op het beklag van Marta die helemaal in beslag werd genomen door het dienen en zich in de steek voelde gelaten door haar eigen zuster, kreeg zij van de Heer op wie zij een beroep deed, te horen: "Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden". Was het dan niet goed wat Marta deed? Integendeel, wie van ons zou in staat zijn het grote goed van de gastvrijheid onder woorden te brengen? Als dat al geldt in het algemeen voor de gelovigen, hoeveel te meer dan voor het Hoofd en de voornaamste ledematen: voor Christus en de apostelen? Wat een machtige dienst, wat een machtige gunst! Toch "heeft Maria het beste deel gekozen"; want terwijl Marta druk doende was, erg bezig en veel zorg had, had Maria alle tijd voor de Heer, bleef zij zitten aan zijn voeten en bleef naar Hem luisteren. De Heer echter legt uit waarom Maria's deel beter was: "omdat het haar niet zal ontnomen worden." Ongetwijfeld had Marta dát deel gekozen wat haar ontnomen zou worden. Aan wie anders toch bewijst men dienst, dan aan de zwakke? Aan wie anders bewijst men dienst, dan aan de sterfelijke? Aan wie anders bewijst men dienst, dan aan de hongerige en dorstige? Dit alles zal er niet meer zijn als dit vergankelijke het onvergankelijke, als dit sterfelijke het onsterfelijke zal hebben aangetrokken. Als de nood immers voorbij is, zal er geen dienstbetoon meer nodig zijn. Het werk zal ophouden maar het loon zal niet uitblijven. Aan wie zal dan nog voedsel worden verstrekt, waar niemand honger heeft? Aan wie drank, waar niemand dorst heeft? Aan wie gastvrijheid worden verleend, waar niemand meer onderweg is? De Heer zelf leed eens honger en Hij leed dorst; niet gedwongen maar omdat Hij het niet beneden zich achtte. Want het was goed dat Hij door wie alles is gemaakt, honger leed; zó zou degene die Hem te eten gaf gelukkig zijn. Als iemand de Heer te eten gaf, wat gaf hij dan? Wie gaf het? Vanwaar gaf hij het? Aan wie gaf hij het? Wat gaf hij? Voedsel gaf hij aan het Brood. Wie gaf het? Hij toch gaf, die meer wilde ontvangen. Vanwaar gaf hij? Soms van het zijne? Wat had hij dan, dat hij niet had ontvangen? Aan wie gaf hij? Soms aan Hem die had geschapen: zowel wat Hij ontving, als ook degene van wie hij ontving? Een grootse dienst voorzeker, een groots werk, een grootse gunst. "Toch heeft Maria het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden." Marta's deel is dus voorbijgaand; maar, zoals ik heb gezegd, het loon ervoor is niet voorbijgaand.