Home
23 oktober Verstrooidheid
God houdt zichzelf te goed
Sta mij toe tot u te spreken: als mens te midden van mensen, als mens uit mensen: laat ieder eens in zichzelf keren en zichzelf onderzoeken, zonder vleierij en zonder zelfbedrog. Niets toch is dwazer, dan zichzelf te bedriegen en te misleiden. Laat ieder daarom goed acht geven en zien wat er omgaat in het mensenhart; hoe veelal juist onze gebeden belemmerd worden door ijdele gedachten, zo zelfs dat het hart nauwelijks bij zijn God kan verwijlen en terwijl het er zo graag wil verwijlen, ontsnapt het in zekere zin aan zijn eigen pogingen: het kan geen paal en perk stellen aan zichzelf, het vermag geen dam op te werpen tegen al die afdwalingen en ongestadige aandoeningen om te verwijlen bij zijn God en er vreugde te smaken. Nauwelijks komt er zo'n echt gebed voor onder onze talrijke gebeden. Nu zou ieder bij zichzelf kunnen zeggen dat het hém overkomt en een ander niet, maar dan vinden wij in de heilige Schriften dat David ergens als volgt bidt: "Ik heb ten slotte, Heer, mijn hart gevonden om tot U te bidden". Hij zegt dat Hij zijn hart heeft gevonden, alsof het hem gewoonlijk ontglipte, alsof hij het in zijn vlucht achtervolgde en dat hij zonder het te kunnen grijpen dan tot God riep: "Mijn hart heeft mij verlaten." Daarom blijf ik bij deze woorden stilstaan: "Goed zijt Gij, Heer, en zachtmoedig", omdat het mij voorkomt dat de psalmist hierom God "zachtmoedig" noemt, omdat Hij die zwakheden van ons verdraagt en daarbij toch wacht op ons gebed, om ons volmaakter te maken. Als wij dan dat gebed tot Hem hebben gericht, aanvaardt Hij het gunstig en verhoort het; en Hij denkt niet meer aan zoveel verstrooide gebeden die wij onoplettend tot Hem hebben gericht, en Hij aanvaardt dat ene, dat wij nauwelijks konden ontdekken. Wie is dan de mens die zou verdragen, dat zijn vriend hem, na een gesprek met hem te zijn begonnen, in plaats van naar zijn antwoord te luisteren, hem de rug zou keren, om met een ander over iets anders te spreken? Wel, God verdraagt het van zoveel biddende mensen die aan heel andere dingen denken, om nog niet te spreken van schadelijke dingen, om nog niet te spreken van soms gevaarlijke en ten aanzien van God verkeerde dingen. Bezig zijn met overbodige is al een belediging voor Hem met wie gij een gesprek had aangegaan. Uw gebed is een gesprek met God: wanneer gij leest, spreekt God tot u, wanneer gij bidt, spreekt gij tot God. Wat nu? Moeten wij wanhopen aan het hele mensdom, en zeggen dat al iedereen is veroordeeld die zich heeft laten afleiden tijdens het gebed, en die het heeft onderbroken? Als wij dat zouden zeggen, dan zie ik echt niet in welke hoop ons nog rest. Laten wij dan, omdat wij toch op God mogen vertrouwen en zijn barmhartigheid groot is, tot Hem bidden: "Verblijd het hart van uw dienaar want tot U heb ik het verheven."