Tussen 410-420
Wat wij hopen beperkt zich niet tot deze tijd en ook niet tot deze wereld; het is ook niet gelegen in het geluk waardoor de mensen die God vergeten worden verblind. Dit moeten wij allereerst weten en als christenen ter harte nemen: dat wij niet voor het geluk van het huidig leven christen zijn geworden, maar voor iets anders, - ik weet niet precies wat - iets, dat God ons nu al belooft, maar dat de mens nog niet kan bevatten. Over dit geluk staat dan ook geschreven: "Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en wat geen mensenhart zich kan voorstellen, heeft God bereid voor die Hem liefhebben". Omdat dit geluk dus zo groot, zo verheven en zo onuitsprekelijk is, is geen mens in staat het te vatten en mag hij rekenen op God die het belooft. Het duister waarin een mensenhart verkeert, belet hem nu het beloofde te vatten; ook kan men hem nu niet duidelijk maken wat hem, aan wie het wordt beloofd, in de toekomst te wachten staat. Gesteld dat gij aan een pasgeboren kind zoudt zeggen: zoals je mij ziet lopen, doen en spreken, zo zul jij ook binnen enkele jaren doen. Lettend op eigen zwakheid en ook op de staat van hem die zo spreekt, zou het kind, hoewel het kon zien wat werd beloofd, toch, zijn eigen zwakheid in aanmerking genomen, er niet in geloven, terwijl het toch de werkelijkheid van het beloofde voor ogen had. Aan ons, die als kinderen in dit lichaam aan zwakheden onderhevig zijn, wordt eveneens iets groots beloofd dat ook niet gezien kan worden; en wordt ons hoop gegeven, waardoor wij geloven wat wij niet zien, om te mogen zien wat wij geloven. Wie dan ook dit geloof bespottelijk vindt, zodat hij meent dat hij daarom niet moet geloven omdat hij niets ziet, staat beschaamd als werkelijkheid is geworden wat hij niet geloofde. Hoeveel zou een mens over moeten hebben, om zich zo'n groot geluk eigen te maken? Tob niet te veel over dat grote geluk vanwege de prijs. Het is zoveel waard als gij hebt. Koop het als gij wilt. Vraag u niet af wat gij hebt, maar wat gij zijt. Het geluk is waard wat gij waard zijt. Het is evenveel waard als gij. Geef uzelf en gij zult het bezitten. Wat een verwarring? Wat een onrust? Moet gij dan uzelf gaan zoeken? Of moet gij uzelf soms kopen? Gij die zijt, die gij zijt, geef uzelf aan dat geluk en gij zult het bezitten. Maar ik ben slecht, zegt gij, en misschien aanvaardt Hij mij niet. Door uzelf in ruil voor dat geluk te geven, wordt gij goed. U helemaal in geloof aan die beloften overleveren: dat is in eigenlijke zin "goed zijn". Eenmaal "goed" geworden, zult gijzelf de prijs zijn van dat geluk en gij zult niet alleen bezitten wat Ik gezegd heb, zoals: gezondheid, behoud, leven en dan leven zonder einde. Niet alleen zult gij dat bezitten; maar nog andere dingen zijn er, die Ik van u wegneem. Er zal daar geen vermoeienis zijn en geen slaap, er zal daar geen honger zijn en geen dorst. Zie eens hoeveel Ik heb uitgeschakeld, en toch heb Ik nog niet gezegd, "wat geen oog heeft gezien, wat in geen mensenhart is opgekomen". Hoe zou in mijn hart zijn opgekomen, om te zeggen "wat in geen mensenhart is opgekomen"?