Carthago, 24 juni 401
Profeten zijn er vóór Johannes geweest, vele en grote en heilige profeten, in overeenstemming met Gods waardigheid en van God vervuld, herauten van de Zaligmaker: getuigen van de waarheid. Toch kon van geen van hen worden gezegd, wat van Johannes wordt gezegd: "Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper". Met welke bedoeling dan is zo'n grootheid voorafgezonden aan de Grote? Het was om zijn grote nederigheid goed te doen uitkomen. Zo groot was Johannes, dat hij voor de Christus kon worden gehouden. Wat de grootheid van Johannes vooral doet uitkomen is: dat hij ondanks dat hij kon aangezien worden voor Christus, liever getuigenis wilde afleggen voor Christus, liever Hem op de voorgrond plaatsen: liever dus zich vernederen, dan voor Christus te worden gehouden en door zichzelf te worden bedrogen. Terecht wordt Johannes genoemd méér dan een profeet. Over de profeten toch, die vóór de komst van de Heer hadden geleefd, zegt onze Heer zelf aldus: "Vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien". Vervuld als zij waren van Gods Geest om de komst van Christus aan te kondigen, verlangden zij ernaar, Hemzelf, zo mogelijk op aarde aanwezig te zien. Daarom kreeg de oude Simeon uitstel voor zijn heengaan uit deze wereld, om de Schepper van de wereld als mens op aarde te kunnen zien. Hij heeft dan wel het Woord van God lichamelijk als onmondig Kind gezien: maar het Kind leraarde toen nog niet; Het had het ambt van leraar nog niet persoonlijk uitgeoefend, terwijl Het bij zijn Vader Leraar was van de engelen. Simeon zag Hem, maar als onmondig Kind: Johannes echter zag Hem al predikend, terwijl Hij zijn apostelen reeds uitkoos. Waar was dat? Bij de Jordaan. Daar immers begon Christus openlijk op te treden als Leraar; daar kreeg het toekomstig doopsel van Christus zijn aanbeveling: want men ontving een voorlopig doopsel dat de weg bereidde, met deze woorden: "Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht". De Heer wilde immers gedoopt worden door zijn dienaar, om de mensen te laten zien wat zij, die gedoopt worden, ontvangen van de Heer. Daar, bij de rivier, zag Johannes Christus, erkende hij Hem en legde hij getuigenis af van Hem, hij vernederde zich voor de Grote, om als nederige te worden verheven door de Grote. Johannes noemde zich terecht vriend van de Bruidegom: en wat voor een vriend? Verre vandaar: veel minder. Hoeveel minder? "Ik ben niet waardig", sprak hij, "de riem van zijn sandalen los te maken". Deze profeet, ja, meer dan een profeet, verdiende voorspeld te worden door een profeet. Van hem toch sprak Jesaja: "Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. Elk dal moet worden opgehoogd, elke berg en heuvel afgegraven, oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden en ruige gronden worden vrij gelegd; en alle vlees zal Gods heil aanschouwen".