Hippo, Pasen
"Wat zal ik de Heer teruggeven voor alles wat Hij mij heeft gegeven?" Zo sprak de martelaar. Hoort, wat er volgt. De martelaar dacht namelijk na en zocht wat hij de Heer zou teruggeven. Wat zei hij dan? "De beker van het heil zal ik nemen". Dat zal ik de Heer teruggeven: de beker van het heil, de beker van het martelaarschap, de beker van het lijden, de beker van Christus. Dat is de beker van het heil, want Christus is ons heil. Ik zal dus, zo zegt hij, zijn beker nemen en Hem die teruggeven. Van die beker zei Christus ook zelf vóór het lijden tot zijn Vader: "Vader als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan". Hij was gekomen om te lijden, Hij was gekomen om te sterven, Hij had de dood in zijn macht. Of, als gij denkt dat ik onwaarheid spreek, luistert dan naar Hem zelf: "Macht heb Ik", zo zegt Hij, "om mijn leven te geven en macht om het weer terug te nemen. Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mij zelf, en ik neem het weer terug". Hebt gij gehoord, hoe Hij macht heeft? Niemand neemt het Hem af. Zonder reden pochen de Joden; zij maken zich hierdoor schuldig aan zonde, zij leveren geen bewijs van overmacht; Christus is gestorven omdat Hij het wilde. Zelf zegt Hij in de psalm: "Ik legde mij ter ruste en zonk in slaap". Zij riepen: "Kruisig Hem, kruisig Hem", zij hebben Hem gegrepen en Hem aan het kruis gehangen, omdat zij de macht tot iets hebben gehad. "Ik legde mij ter ruste". En wat daarna? "Ik zonk in slaap". Inderdaad, het was een slaap van drie dagen. Wat komt daarna? "En Ik stond weer op, omdat de Heer Mij beschermde". De Joden gaan er groot op, als hadden zij Mij verslagen. Zij hebben Mij aan het kruis gehangen om Mij te doden, maar Ik slaap. Want toen ik wilde heb Ik mijn leven gegeven en toen Ik wilde ben Ik opgestaan. Dit is dus de beker waarvan Hij wilde, dat hij Hem voorbijging, de beker die Hij was komen drinken. Wat is dan de bedoeling, Heer, van de woorden die Gij hebt gesproken: "Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan"? Hij antwoordt op uw vraag en zegt u: Mens, in mijn lichaam heb Ik u aangenomen; zou Ik dan, als Ik u in mijn lichaam heb aangenomen, u ook niet in mijn woorden hebben aangenomen? Als Ik zeg: "Macht heb Ik om mijn leven te geven en macht om het weer terug te nemen ", dan spreek Ik van Mij als Schepper; wanneer Ik echter zeg: "Ik ben bedroefd tot stervens toe", dan spreek Ik van u als schepsel. Verheug u over Mij in uzelf, herken uzelf in Mij. Als Ik zeg, "Macht heb Ik om mijn leven te geven", dan ben Ik uw steun; als Ik zeg: "Ik ben bedroefd tot stervens toe", dan ben Ik uw spiegel.