Hippo, dinsdag of woensdag na Pasen, na het jaar 400
Laten wij ons eens een voorstelling maken van het geloof van de misdadiger, een geloof dat Christus na zijn verrijzenis niet vond bij zijn leerlingen. Christus hing aan het kruis, de misdadigers hingen ook aan het kruis; in het midden hing Christus, zij aan weerszijden. De één hoonde, de ander geloofde; Hij in het midden was de rechter. Die eerste nu, die Christus hoonde, zei: "Als Gij de Zoon van God zijt, red dan Uzelf". De ander zei tot de eerste: "Heb zelfs jij geen vrees voor God? Wij krijgen wat wij voor onze daden hebben verdiend; maar wat heeft Hij gedaan?" En zich tot de Heer wendend zei hij: "Heer, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk zijt gekomen". Welk een groot geloof! Ik weet niet wat men aan dit geloof nog zou kunnen toevoegen. Zij, die Christus doden hadden zien opwekken, wankelden; maar hij, die Christus met zich aan het kruis zag hangen, geloofde. Toen zij wankelden, geloofde hij. Welk een vrucht heeft Christus geplukt van dit dorre hout! Hoort, wat de Heer tot hem zei: "Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs". Gij denkt aan uitstel, maar Ik aanvaard u. Hoe had de misdadiger, die na zijn misdaad bij de rechter en van bij de rechter op het kruis kwam, ooit kunnen verwachten: vanaf het kruis in het paradijs te komen? Tenslotte, zich goed bewust van wat hij verdiende, zei hij niet: Denk aan mij en verlos mij vandaag, maar: "Wanneer Gij in uw Koninkrijk zijt gekomen, denk dan aan mij", zodat, als mij nog folteringen te wachten staan, daaraan een eind komt als Gij in uw Koninkrijk zijt gekomen. De Heer zei toen: Zo zal het niet gaan; gij hebt het Rijk der hemelen stormenderhand genomen, gij hebt het geweld aangedaan, gij hebt geloofd, gij hebt er u meester van gemaakt. "Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs". Ik wil van geen uitstel weten: een zo groot geloof wil Ik vandaag nog naar verdienste belonen. De misdadiger zei: "Denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk zijt gekomen". Niet alleen geloofde hij dat Christus zou verrijzen, maar ook dat Hij ging heersen. Tot Hem die daar hing, die gekruisigd was, die bloedend aan het kruishout hing, zei hij: "Wanneer Gij in uw Koninkrijk zijt gekomen". Die twee leerlingen (van Emmaüs) zeiden: "Wij leefden in de hoop". Waar de misdadiger de hoop vond, daar verloren de leerlingen haar.