Home

29 februari  De liefde van God

God is met ons begaan.




Onbegrijpelijk is de liefde, waarmee God liefheeft; en onveranderlijk. Hij is immers niet begonnen ons lief te hebben vanaf het ogenblik dat wij met Hem zijn verzoend door het bloed van zijn Zoon; maar vóór de grondlegging der wereld heeft Hij ons liefgehad, opdat ook wij te zamen met zijn Eniggeborene zijn kinderen zouden zijn, voordat wij hoegenaamd iets zouden zijn. Dat wij dus door de dood van zijn Zoon met God zijn verzoend, moet niet zó verstaan, moet niet zó worden opgevat, alsof de Zoon ons hierom met de Vader heeft verzoend, opdat Deze nu zou beginnen lief te hebben die Hij tot nu toe had gehaat, zoals een vijand zich met zijn vijand verzoent om verder vrienden te zijn en elkaar lief te hebben, na tot nu toe elkaar te hebben gehaat. Integendeel wij zijn verzoend met Hem die ons reeds liefhad en met wie wij wegens onze zonden in vijandschap leefden. Laat de apostel getuigen of ik de waarheid spreek: "God bewijst zijn liefde tot ons juist hierdoor", zegt hij, "dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren". God had ons lief ook toen wij uit vijandschap jegens Hem ongerechtigheid bedreven. Bijgevolg had Hij ons lief op wonderlijke en goddelijke wijze, óók toen Hij ons haatte: Hij haatte ons immers voorzover wij zó waren als Hij ons niet had gemaakt; maar, omdat onze ongerechtigheid zijn werk niet in alle opzichten had vernietigd, wist Hij gelijktijdig in ieder van ons te haten wat wij van onszelf hadden gemaakt, en te beminnen wat Hij had gemaakt. In alles kan men dit wel aannemen van Hem, van wie naar waarheid wordt gezegd: "Gij haat niets van al wat Gij gemaakt hebt". Hij zou immers het bestaan van wat dan ook dat Hij zou haten niet hebben gewild, indien zelfs in wat Hij haat niet ook iets was dat Hij beminde. Wel haat Hij met reden en laakt Hij de tekortkoming, die van de regel zijner kunst afwijkt, maar toch bemint Hij ook in hen die tekortschieten het zijne; of zijn weldaad wanneer Hij geneest, of zijn oordeel wanneer Hij veroordeelt. Wie zou omdat hij dus niets haat van hetgeen Hij heeft gemaakt, naar waarde onder woorden brengen hoezeer Hij de ledematen van zijn Eniggeborene liefheeft; en hoeveel te meer zijn Eniggeborene zelf, "in wie alle zichtbare en onzichtbare dingen zijn geschapen", die Hij, in hun soort geordend, in volmaakte orde liefheeft.