Home
2 februari Laatste bekoringen vóór de grote stap
Sterker deed zich in mij gelden het slechtere dat was ingeworteld dan het betere dat ongewoon was. Hoe meer dan het tijdstip naderde waarop ik anders zou zijn, des te heviger huivering verwekte het in mij. Toch dreef het mij niet terug en deed mij ook niet omkeren, maar het hield mij in spanning. Wat mij tegenhield, dat waren nietigheden van nietigheden en ijdelheden van ijdelheden. Mijn vriendinnen van vroeger; zij trokken mij aan mijn kleed van vlees en mompelden zachtjes: "Laat je ons los?" en: "van dat ogenblik af zullen wij niet meer bij je zijn tot in eeuwigheid, en van dat ogenblik af mag je dit en dat niet meer tot in eeuwigheid, nooit meer!" Wat fluisterden zij in met dat: "dit en dat", wat ik zei: wat fluisterden zij in, mijn God? Moge uw barmhartigheid het afwenden van uw dienaar! Wat een gemeenheden hielden zij mij voor, wat een schandelijkheden! Ik hoorde hen al veel minder dan met een half oor, terwijl zij om zo te zeggen al niet meer op mij toekwamen en mij vrijmoedig tegenspraken, maar alsof zij achter mijn rug fluisterden en mij heimelijk als het ware aan mijn kleren trokken om mij te laten omkijken. Toch hielden zij mij op omdat ik aarzelde mij van haar los te rukken en van haar te ontdoen en met een sprong dáár te komen waarheen ik geroepen werd; maar een sterke gewoonte zei mij: Denk je het zonder haar te kunnen? Aan de kant toch waarheen ik mijn gezicht had gekeerd en waarheen ik weifelde te gaan, verscheen de onthouding in haar kuise waardigheid: helder en blij, maar zonder ongebondenheid, met edele bekoorlijkheid mij uitnodigend, om te komen en niet te aarzelen. Zij stak, om mij op te nemen en te omarmen haar vrome handen uit, die vol waren van een menigte goede voorbeelden. Zoveel jongens en meisjes waren daar, talrijke jonge mensen en alle leeftijden, waardige weduwen en maagden op leeftijd, en bij allen die onthouding, die volstrekt niet onvruchtbaar was, maar een vruchtbare moeder van kinderen, namelijk van de vreugden over hun Bruidegom, over U, Heer. De onthouding lachte mij toe met een bemoedigende spotlach, als wilde zij zeggen: Zul je niet kunnen wat die mannen, wat die vrouwen konden? Of kunnen het die en die soms door zichzelf en niet door de Heer, hun God? De Heer, hun God, heeft mij aan hen gegeven. Wat sta jij op eigen voeten, en jij kunt niet op eigen voeten staan? Werp je op Hem en wees niet bang; Hij zal zich niet terugtrekken, zodat je valt. Werp je gerust op Hem: Hij zal je opvangen en je genezen. Ik was dus diep beschaamd, omdat ik nog steeds het gefluister van die nietigheden hoorde en ik aarzelend hing te schommelen; en weer was het of ze zei: "Wees doof tegenover je onreine ledematen op aarde, zodat zij gedood worden. Zij spreken je van genoegens, maar die zijn niet als de wet van je Heer, je God". Die strijd had plaats in mijn hart en ging alleen over mijzelf tegen mijzelf. Maar Alypius die niet van mijn zijde week, wachtte stilzwijgend op de afloop van mijn ongewone ontroering.