Home
3 april Ontroering van Christus: Onze troost
Het moet uit zijn met de redeneringen van filosofen die beweren dat een verstandig man geen ontroering overkomt. "God heeft de wijsheid van deze wereld tot dwaasheid gemaakt"; en de Heer kent de gedachten van de mensen, "Hij weet, dat het hersenschimmen zijn". Laat het christelijk gemoed gerust ontroerd worden, niet uit zorg, maar uit bezorgdheid; laat het bang zijn dat er mensen voor Christus verloren gaan, laat het bedroefd zijn wanneer iemand voor Christus verloren gaat; laat het innig verlangen dat er mensen voor Christus worden gewonnen, laat het verheugd zijn wanneer mensen voor Christus worden gewonnen; laat het ook bang zijn voor zichzelf dat het voor Christus verloren gaat, laat het bedroefd zijn dat het ver van Christus verwijderd is; laat het vurig wensen om met Christus te heersen en laat het blij zijn door de verwachting dat het met Christus zal heersen. Deze vier zijn het wel die men aandoeningen noemt, te weten: vrees, droefheid, liefde, blijdschap. Deze mogen christenen gerust om een goede reden hebben. Iemand zal wellicht opwerpen: moet een christenziel tot in haar diepste wezen ontroerd worden, zelfs bij het naderen van de dood? Waar is dan het vurig verlangen van de apostel die zegt dat hij ontbonden wil worden om met Christus te zijn? Als er al christenen zijn die zich door geen enkele naderende dood in de war laten brengen, dan zijn zij toch wel uitzonderlijk sterk; maar zijn zij soms sterker dan Christus? Wie is zo dwaas om dit te beweren? Waarom dus is de Heer anders ontroerd geweest dan om de zwakken in zijn "lichaam", dat is in zijn Kerk, door vrijwillige gelijkenis met zijn zwakheid, te troosten? Als iemand van de zijnen dus nog bij een naderende dood in geestverwarring raakt, kan hij opzien naar de Verlosser en hoeft hij niet te denken verworpen te zijn, juist wegens die verwarring, om zo de prooi te worden van de nog ergere dood van de wanhoop. Of Christus nu op deze plaats in het evangelie uit medelijden ontroerd is om Judas, die zijn verderf tegemoet gaat, of dat Hij ontroerd is om zijn eigen dood die aanstaande is: toch is er geen enkele twijfel mogelijk dat het niet uit zwakheid van geest is dat Hij ontroerd is, maar uit eigen macht, opdat wij niet zouden wanhopen aan het heil, wanneer wij uit zwakheid ontroerd worden en niet uit eigen macht; Hij droeg immers de zwakheid van het vlees, een zwakheid die door de verrijzenis is overwonnen. Hij echter, die niet enkel mens, maar ook God was, overtrof oneindig het hele mensdom in zielekracht. Niet dus door dwang van buitenaf kwam de ontroering, maar Hij veroorzaakte de ontroering; dit komt duidelijk bij Hem tot uiting als Hij Lazarus uit de dood opwekt; daar staat immers geschreven dat Hij uit zichzelf ontroerd werd. Het lag in zijn vermogen om eigenmachtig menselijke gevoelens teweeg te brengen, als Hij dat wenselijk achtte, omdat Hij ook eigenmachtig de gehele mens had aangenomen.