Overbrenging van de relieken van de H. Stefanus Hippo, ca het jaar 425
Onder de voorname en heilzame, onder de goddelijke en verheven voorschriften die onze Heer aan zijn leerlingen heeft gegeven, lijkt dit de mens wel erg zwaar: dat Hij hem beveelt zijn vijanden te beminnen. Een moeilijk voorschrift: maar een grootse beloning. Tenslotte moet gij eens opletten wat Hij zei toen Hij deze opdracht gaf: "Bemint uw vijanden, doet wel aan wie u haten en bidt voor wie u vervolgen". Daar hebt gij de opdracht, zie nu uit naar het loon; en geef acht op wat de Heer er aan toevoegt: "Opdat gij kinderen moogt worden", zegt Hij, "van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over goeden en slechten, en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen". Dat zien wij, dat kunnen wij niet ontkennen. Het voorbeeld van God de Vader "die zijn zon laat opgaan over goeden en slechten" wordt ons voorgehouden. Gods Zoon zelf heeft dit ook nog na zijn menswording, eigenmondig verklaard als mens, wat Hij uit liefde voor zijn vijanden is geworden. Want Hij, die uit liefde voor zijn vijanden in de wereld is gekomen, heeft absoluut allen als zijn vijanden aangetroffen: niemand heeft Hij als vriend aangetroffen. Voor vijanden heeft Hij zijn bloed gestort: maar door zijn bloed heeft Hij de vijanden van gevoelens doen veranderen. De zonden van zijn vijanden heeft Hij met zijn eigen bloed uitgewist en door de zonden uit te wissen heeft Hij van vijanden vrienden gemaakt. Van deze vrienden was ook Stefanus er een: ja, hij is dat en zal het blijven. Toch toonde de Heer zelf als eerste op het kruis wat Hij had bevolen. Toen de Joden immers allerwegen ziedend en woedend te keer gingen, Hem bespotten en Hem hoonden, zei Hij, terwijl zij Hem kruisigden: "Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen"; hun verblindheid toch kruisigt Mij Hun verblindheid kruisigde; en de Gekruisigde bereidde voor hen met zijn bloed een zalf voor hun ogen. Niettemin zijn er mensen, die aarzelend staan tegenover een voorschrift, die uit zijn op de beloning, die hun vijanden niet beminnen, maar zoeken zich op hen te wreken zonder acht te slaan op de Heer, die, als Hij zich zou willen wreken op zijn vijanden, er niemand meer over zou blijven om Hem te loven. Als zij deze plaats in het evangelie horen, waar de Heer aan het kruis zegt: "Vader vergeef hun want zij weten niet wat zij doen", zeggen zij bij zichzelf: Ja, Hij kon dat, als Zoon van God, als de enige Zoon van de Vader. Als mens toch hing Hij daar, maar God ging in zijn binnenste schuil. Wij echter, wie zijn wij om zoiets te doen? Heeft Hij zich dan vergist toen Hij dat beval? Dat nooit: Hij heeft zich niet vergist. Als gij dan denkt dat het teveel is gevraagd om uw Heer na te volgen, let dan op Stefanus, dienaar gelijk gij.