Home

14 januari  God laat zich vinden door de zoekende mens




Wat zijt Gij voor mij, mijn God?

"Groot zijt Gij, Heer, en alle lof waardig, groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen maat". Loven wil U een mens, een deel maar van uw schepping, en nog wel een mens, die zijn sterfelijkheid met zich omdraagt, die het bewijs van zijn zonden met zich omdraagt en het bewijs dat Gij de hovaardigen weerstaat. Toch wil U loven een mens, een deel maar van uw schepping. Gijzelf zet hem aan, dat hij zijn lust vindt in U te loven. Want Gij hebt ons gemaakt voor U en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U. Wat zijt Gij dan, mijn God, wat anders, vraag ik, dan de Heer God? Wie immers is Heer behalve de Heer of "wie is God behalve onze God"? Gij, opperste, algoede, hoogste in macht en vermogen, de meest barmhartige en de meest rechtvaardige, de meest verborgene en de meest tegenwoordige. De schoonste en sterkste, standvastig en niet te bevatten, onveranderlijk en alles veranderend. Nooit nieuw, nooit oud en alles vernieuwend. De hovaardigen brengt Gij tot kindsheid buiten hun weten. Altijd bezig en altijd in rust, verzamelend en niets behoevend, dragend, vervullend en beschermend; scheppend, in stand houdend en voltooiend; zoekend, terwijl niets U ontbreekt. Gij verandert uw werken, maar Gij verandert niet uw raadsbesluit; Gij neemt op wat Gij vindt en Gij hebt nooit iets verloren; nooit lijdt Gij gebrek en Gij zijt blij met winst; nooit zijt Gij hebzuchtig en Gij eist rente met woeker; meer dan het verschuldigde wordt U betaald, zodat Gij schuldenaar wordt, en wie bezit iets dat niet van U is? Gij betaalt schuld, zonder iemand iets schuldig te zijn; schuld scheldt Gij kwijt, en Gij verliest er niets mee. Wat hebben wij met dit alles gezegd, mijn God, mijn leven, mijn heilig hartsverlangen? Of wat zegt iemand wanneer hij spreekt over U? Toch wee degenen, die zwijgen over U, want rijk aan woorden zijn zij stom.