Home

13 juni  Bezitter of bezetene




Ca het jaar 410 of later

In de brief aan zijn leerling Timóteüs heeft Paulus, onder andere vermaningen die hij tot hem richtte, ook dit gezegd: "Vermaan de rijken van deze wereld dringend niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse rijkdom, maar op God", Gaan wij deze enkele woorden even na. "Vóór alles", zo begint de apostel, "vermaan de rijken niet hoogmoedig te zijn" Niets voedt namelijk zó de trots als rijkdom. Als een rijke niet trots is, treedt hij de rijkdom met voeten en hangt aan God; maar een rijke die trots is, is geen bezitter, maar een bezetene. Een rijke die trots is, is de duivel gelijk. Wat bezit een rijke, die trots is, wanneer hij God niet bezit? Paulus heeft er nog aan toegevoegd: "dat zij hun hoop niet moeten stellen op de ongewisse rijkdom". De rijke moet zijn rijkdom zó bezitten, dat hij er goed van overtuigd is, dat hetgeen hij bezit, kan vergaan. Laat hij dus zorgen dát te hebben, wat hij niet kan verliezen. Na deze woorden: "dat zij hun hoop niet moeten stellen op de ongewisse rijkdom", voegt de apostel er aan toe: "maar op de levende God". Rijkdommen toch kunnen verloren gaan, zorg dan dat zij zó ten onder gaan, dat zij u niet meesleuren in hun ondergang. De mens is inderdaad gemaakt naar Gods evenbeeld; maar laat hij van zichzelf bekennen, dat hij gemaakt is, laat hij wat hij zelf gemaakt heeft, verliezen, maar laat blijven wat God hem gemaakt heeft. "Hoewel dus de mens rondwandelt als Gods evenbeeld, maakt hij zich toch druk voor niets". Wat betekent dat: "hij maakt zich druk voor niets"? "Hij verzamelt zich schatten en hij weet niet voor wie hij ze bijeenzamelt". De levenden kunnen zien dat het werkelijk zo gaat met hen die gestorven zijn. Velen vinden de dood door hun bezittingen. En zie, dan laten zij hier achter wat zij bezaten en wanneer zij dan daarmee niet hebben gedaan wat God heeft bevolen, met wat voor gezicht moeten zij dan voor Hem verschijnen: Uw ware rijkdom moet zijn: God zelf, die ons alles rijkelijk te genieten geeft. "Zij moeten zich verrijken", zegt hij, "door goede daden". Daaruit moet hun rijkdom blijken, daar moeten zij zaaien. Van zulke werken sprak ook dezelfde apostel, toen hij zei: "Wij mogen nooit ophouden goed te doen, want te zijner tijd zullen wij de oogst binnenhalen". Zaaien moet men; men ziet nog niet wat men zal oogsten, maar men moet geloven en het zaad uitstrooien. Ziet een boer, die zaait, soms al de binnengehaalde oogst? Het graan, dat hij met zoveel moeite en zorg heeft opgeborgen, werpt hij weg, verspreidt hij. Hij vertrouwt zijn zaadkorrels toe aan de aarde: zoudt gij dan uw werken niet toevertrouwen aan Hern, die hemel en aarde gemaakt heeft? "Zij moeten zich" dus "verrijken" maar "door goede daden, en vrijgevig zijn en milddadig".