Home
25 augustus 'Christus' naam
"Alle volken moeten prijzen uw grote Naam." Uw Naam was onbeduidend, toen zij raasden van woede; uw Naam is aanzienlijk geworden, laten zij hem nu prijzen. Wat bedoelen wij als wij zeggen dat Christus' Naam onbeduidend was, voordat hij werd verbreid met zoveel luister? "Naam" heeft hier de betekenis van "faam". Onbeduidend was toen die Naam; maar nu is hij aanzienlijk geworden. Welk volk immers heeft de Naam van Christus nu niet gehoord? De volken moeten dus nu prijzen uw grote Naam, zij die eerst geraasd hebben van woede om uw onbeduidende Naam. Waarom hem prijzen? "Omdat hij geducht is en heilig". De Naam die Gij draagt, Heer, is een geduchte en heilige. Evenals Christus gepredikt wordt als de gekruisigde, gepredikt als de vernederde, gepredikt als de veroordeelde, zo moge Hij ook komen als de verhevene, komen als de levende, komen in kracht om te oordelen. Nu ziet Hij de godslasterlijke volken, omdat Gods geduld naar boetvaardigheid leidt. Want Hij die nu ontziet, blijft niet altijd ontzien; of zou Hij, die nu wordt gepredikt opdat men Hem zou vrezen, niet komen om te oordelen? Hij zal komen, Hij zal komen: laten wij Hem vrezen en zo leven dat wij rechts van Hem worden aangetroffen. Hij zal immers komen en Hij zal oordelen, om dezen aan de linkerhand, anderen aan de rechterhand te plaatsen. Denkt gij dat Hij steeds zo barmhartig zal zijn dat Hij niemand straft? Geloof het niet. Geducht en heilig is zijn Naam! "Hij is een koning die de gerechtigheid liefheeft." Laten wij Hem dan vrezen, laten wij dan rechtvaardig handelen, laten wij dan redelijk handelen. Wie handelt eigenlijk redelijk? Wie handelt rechtvaardig? De zondaar, de ongerechtige, de verdorvene, afkerig van het licht der waarheid? Wat moet de mens dan doen? Eenvoudig zich keren tot God, opdat Hij in hem de gerechtigheid vormt, die hijzelf niet in staat is te vormen maar wel te misvormen. De mens is wel in staat zich te verwonden; maar is hij soms ook in staat zichzelf te genezen? Om ziek te zijn was zijn onmatigheid voldoende, om echter op te staan is de medicijn van de geneesheer nodig. Zo is het ook gesteld met het zondigen: de mens heeft niemand nodig om zonde te doen; maar om gerechtvaardigd te worden heeft hij wel iemand nodig; hij wordt immers gerechtvaardigd door Hem de enig Rechtvaardige.