Datum onbekend
Gij weet het, gij hebt het immers geleerd bij de aanvang van uw geloof in Christus, en wij bevelen u dat ook doorlopend aan bij het verlenen van onze dienst: dat het beste geneesmiddel voor het gezwel van de hoogmoed in de mens: de nederigheid is van Christus. De mens zou toch niet verloren zijn gegaan, als de hoogmoed hem niet verwaand had gemaakt. Want "het begin van alle zonden is de hoogmoed", zegt de Schrift. Tegenover het begin van de zonde was het begin van de gerechtigheid nodig. Als het begin van alle zonden immers de hoogmoed is, hoe kon het gezwel van de hoogmoed beter genezen worden dan door God, die het niet beneden zich achtte nederig te worden? De mens moet zich schamen hoogmoedig te zijn, omdat God nederig is geworden. Want, zeg eens aan een mens dat hij nederig moet zijn, dan is hij verontwaardigd; en als mensen zich om een belediging willen wreken, is dat het werk van de hoogmoed. Omdat zij van geen vernedering wensen te weten, willen zij zich wreken: alsof de straf aan een ander opgelegd iemand voordelig kan zijn. Beledigd en verongelijkt, wil men zich wreken: in het straffen van een ander zoekt men voor zichzelf een middel ter genezing, en bezorgt men zich nog een groter foltering. Daarom heeft Christus, onze Heer, zich in alles willen vernederen, om ons zo een weg te wijzen: als wij nu maar die weg willen gaan! Christus, die zo'n grote macht had, heeft honger geleden, heeft dorst geleden, is vermoeid geweest, heeft geslapen, is gegrepen en geslagen, is gekruisigd en gedood. Dat is de weg: bewandel de weg der nederigheid, om te komen tot de eeuwigheid. Christus, God, is het vaderland waarheen wij gaan; Christus, mens, is de weg waarlangs wij gaan. Het is langs Hem dat wij naar Hem gaan. Waarom zijn wij dan bang, dat wij verkeerd gaan?