Hippo 1 of 2 weken vóór Pasen 410
Er wordt een bepaalde volgorde vereist bij uw geestelijke vorming: eerst moet gij leren wat gij moet geloven en daarna wat gij moet vragen. De apostel Paulus drukt zich als volgt uit: "Zo zal het gaan: alwie de naam van de Heer aanroept, hij wordt gered". De apostel heeft dit getuigenis ontleend aan de profeet Joël, en hij voegt er aan toe: "Of hoe zullen zij aanroepen zonder in Hem te geloven? Hoe kan men in Hem geloven zonder van Hem te hebben gehoord? Hoe kan men van Hem horen als niemand Hem verkondigt? Of hoe zullen zij Hem verkondigen als zij niet zijn gezonden?" Er zijn daarom predikers gezonden die Christus hebben gepredikt. Terwijl zij predikten, hoorden het de volken en gehoor gevend, geloofden zij, en gelovig riepen zij aan. Heel juist en terecht werd dus gezegd: "Hoe zullen zij aanroepen zonder in Hem te geloven?" Dus eerst hebt gij geleerd, wat gij moet geloven: vandaag hebt gij Hem leren aanroepen, in wie gij hebt geloofd. Onze Heer Jezus Christus, Zoon van God, heeft ons leren bidden; en terwijl Hijzelf de Heer is zoals gij in de geloofsbelijdenis hebt geleerd en zoals gij ook hebt opgezegd, toch is Hij, de enige Zoon van God, niet "alleen" willen blijven. Hij is de enige, en toch wilde Hij niet "alleen zijn": broeders en zusters heeft Hij willen hebben. Tot wie immers richt Hij deze woorden: "Gij moet zeggen: onze Vader, die in de hemel zijt"? Aan wie anders moeten wij de naam "Vader" geven dan aan zijn eigen Vader? Is er soms sprake van jaloersheid ten opzichte van ons? De erfenis die Hij ons heeft beloofd is van die aard, dat deze het bezit kan worden van een groot aantal zonder dat iemand te kort komt: onze Heer heeft dan ook de heidenvolken uitgenodigd, om met Hem de titel van broeder te delen; de enige Zoon heeft dus ontelbare broeders en zusters die mogen zeggen "Onze Vader die in de hemel zijt". Dit hebben generaties vóór ons gebeden; dit zullen generaties ná ons bidden. Ziet eens, hoeveel broeders en zusters de enige Zoon in zijn welwillendheid heeft; Hij deelt namelijk zijn erfenis met hen, voor wie Hij de dood heeft doorstaan. Wij hadden op aarde een vader en moeder; uit hen zijn wij geboren voor het werk en voor de dood; wij hebben andere ouders gekregen: God als Vader en de Kerk als moeder, uit wie wij zijn geboren voor het eeuwig leven. Bedenken wij eens, geliefden, van wie wij al kinderen zijn geworden; en laten wij een leven leiden dat past bij hen die zo'n Vader hebben. Ziet toch eens dat onze Schepper het niet beneden zich heeft geacht, onze Vader te zijn.