29 juni
Saul was een uiterst hardnekking achtervolger geweest; toen de heilige Stefanus werd gestenigd, hield hij de kleren van hen die stenigden in bewaring om zo in hen allen, stenen ter hand te nemen. Na het lijden van de gelukzalige Stefanus zijn de broeders die in Jeruzalem waren verspreid, en omdat zij lampen waren brandden zij door Gods Geest; waar zij ook kwamen, ontstaken zij vuur. Toen Saulus zag dat het evangelie gestaag groeide, werd hij vervuld van de bitterste naijver: hij kreeg brieven van de hogepriesters en ging ijverig verder om allen van wie hij vernam dat zij de naam van Christus beleden, geboeid bij zich te laten brengen om hen te bestraffen; en hij vervolgde zijn weg, moordlustig en bloeddorstig. Zó, ja, toen hij zo op weg was, toen hij, bloeddorstig als hij was, allen bij zich liet brengen en hen zocht te doden, zó, in één woord, als een achtervolger, hoorde hij een stem uit de hemel. Wat voor goeds had hij verdiend? Wat voor kwaads had hij niet verdiend? Toch werd hij door één stem uit de hemel neergesmakt als vervolger, en opgericht als verkondiger. Zo is hij voor u Paulus na Saulus: ja, hij is al verkondiger, ja, hij geeft ons zelf aan wat hij geweest is en wat hij is. "Ik", zegt hij, "ik ben de minste van de apostelen". Beide heeft Paulus openlijk van zichzelf beleden: hij heeft zich zowel de minste als de laatste genoemd. "Ik ben de minste van de apostelen"; - zijn eigen woorden zijn het - "ik ben de laatste van de apostelen"; - zijn eigen woorden zijn het - Wij doen hem geen onrecht. Zijn eigen woorden zijn het. Wat zegt hij dan nog meer? Laat hij het zelf zeggen, om te voorkomen dat wij de schijn wekken hem onrecht te doen; luisteren wij naar hemzelf. "Ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten". Daar ziet gij wat hij was: "niet waard apostel te heten". Waarom dat? "Want ik heb Gods Kerk vervolgd". Hoe zijt gij dan apostel? "Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen". Nu vraag ik u, heilige Paulus: voor mensen die het niet begrijpen, klinkt dit hun als een hooghartige uitspraak: zij denken dat Saulus hier nog aan het woord is. Toch is het de waarheid: want wat volgt erop? "Niet ik heb harder gewerkt, maar de genade van God met mij". Nederigheid aanvaardde zichzelf, zwakheid vreesde voor zichzelf, volmaakte liefde beleed Gods gave. "Ik ben niet waard apostel te heten", zegt hij; "maar door Gods genade ben ik wat ik ben". Nu eist hij echter het verschuldigde loon: "Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop voleind, het geloof bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid"; hij zei niet, die Hij mij geeft, of, die Hij mij schenkt, maar, waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter mij zal belonen op de grote dag. De Barmhartige heeft het mij geschonken, de Rechtvaardige zal het mij terugschenken. Ik zie, heilige Paulus, waaraan de krans verschuldigd is: aan uw verdiensten; maar terugkijkend op wat gij geweest zijt, erken ik dat uw gaven zelf Godsgeschenken zijn. Gij hebt gezegd: "Ik heb de goede strijd gestreden", maar zelf hebt gij ook gezegd: "God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heer". Gij hebt dus de goede strijd gestreden, maar dank zij Christus' gave hebt gij overwonnen. Gij hebt gezegd: "Ik heb de wedloop voleind"; maar zelf hebt gij ook gezegd: "Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming". Gij hebt gezegd: "Ik heb het geloof bewaard"; maar zelf hebt gij ook gezegd: "Aan Gods ontferming dank ik dat ik betrouwbaar ben". Wij zien dus dat uw verdiensten gaven Gods zijn, en daarom verheugen wij ons over uw krans. Al was ik dan niet opgewassen tegen de taak om de lof van de zalige apostelen te verkondigen, toch heb ik u in uw verwachtingen niet teleurgesteld, in zover hun Bekroner het mij heeft gegeven.