Kerstdag, vóór het jaar 410.
De geboorte van Christus uit de Vader zonder moeder, de geboorte van Christus uit de moeder zonder vader: beide zijn wonderbaar. De eerste geboorte vond plaats in de eeuwigheid, de tweede in de tijd. Wanneer is Hij uit de Vader geboren? Wat betekent dit "wanneer"? Vraagt gij daar naar een "wanneer?", waar gij geen tijd zult vinden? Dáár moet gij niet naar een "wanneer" vragen. Vraag hiér gerust naar een "wanneer": wanneer gij vraagt naar zijn geboorte uit een moeder. Wanneer het echter de geboorte betreft uit de Vader, dan is uw vraag misplaatst: Hij is geboren, maar tijd kent Hij niet; Hij is geboren als de Eeuwige van de Eeuwige als Mede-eeuwige. Waarom verwondert gij u daarover? Hij is toch God. Sla acht op zijn goddelijkheid, en de reden tot verwondering verdwijnt. Ook echter wanneer wij zeggen: Hij is geboren uit een maagd, is dat iets groots; ook dan verwondert gij u. Maar Hij is God; gij moet u daarover niet verwonderen: de verwondering moet verdwijnen en plaats maken voor de lofprijzing. Laat uw geloof spreken: geloof dat het zo gebeurd is. Als gij niet gelooft, gebeurd is het toch, maar gij blijft dan een ongelovige. Hij heeft het niet beneden zich geacht mens te worden; waarom vraagt gij nog méér? Heeft God zich dan te weinig voor u vernederd? Hij, die God was, is mens geworden. In de herberg was geen plaats; Hij is in doeken gewikkeld, Hij is in een kribbe neergelegd; gij hebt het gehoord, toen het evangelie werd voorgelezen. Wie zou zich hierover niet verwonderen? Hij die het heelal vervulde, heeft geen plaats kunnen vinden in een herberg; in een kribbe gelegd, is Hij ons voedsel geworden. Laten de twee dieren tot de kribbe komen: "een os kent immers zijn eigenaar, een ezel de kribbe van zijn meester". Richt nu uw aandacht op de kribbe. Schaam u niet, het lastdier van de Heer te zijn. Als gij Christus zult dragen, zult gij onderweg niet dwalen; want dan neemt de Weg plaats op u. Weet gij nog hoe het veulen naar de Heer is gebracht? Niemand behoeft zich te schamen: dat zijn wij. Laat de Heer plaats nemen op ons en ons roepen waarheen Hij wil. Wij zijn zijn lastdier. Wij zijn op weg naar Jeruzalem. Als Hij heeft plaats genomen op ons, worden wij niet neergedrukt door die last, maar juist opgeheven. Als Hij ons leidt, verdwalen wij niet: het is náár Hem dat wij gaan, het is dóór Hem dat wij gaan; geen sprake dat wij vergaan.