Home

15 januari  Wie zal mij rust geven?




Wie zal mij geven dat ik rust mag vinden in U? Wie zal mij geven dat Gij komt in mijn hart en het dronken maakt, om zo mijn kwaad te vergeten en U, mijn enig goed, te omhelzen? Wat zijt Gij voor mij? Gedoog dat ik spreek. Wat ben ikzelf voor U, dat Gij mij beveelt U te beminnen, en als ik het niet doe, vertoornd zijt en mij dreigt met nameloos kwaad? Is het dan maar een gering kwaad U niet te beminnen? Ach, zeg mij bij uw barmhartigheid Heer, mijn God, wat zijt Gij voor mij? "Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". Zeg het zo, dat ik het hoor. Zie, de oren van mijn hart zijn naar U toegewend, Heer, open ze en zeg tot mijn ziel: "Ik ben uw heil". Ik zal die stem naijlen en U vastgrijpen. Verberg voor mij niet uw aanschijn. Laat mij sterven opdat ik niet sterve, maar uw aanschijn aanschouw. Te eng is het huis van mijn ziel, waar Gij moet binnenkomen; moge het ruimer worden door U. Bouwvallig is het, herstel het. Het heeft dingen die uw ogen mishagen; ik beken en ik weet het. Maar wie zal het reinigen? Of tot wie anders buiten U zal ik roepen: "Van mijn verborgen zonden reinig mij, Heer, en behoed uw dienstknecht voor die van anderen"? Ik geloof en daarom spreek ik ook. Heer, Gij weet het. "Heb ik U niet tegen mijzelf in mijn misdrijven beleden, mijn God"; en hebt Gij mij niet de boosheid van mijn hart vergeven? "Ik treed niet in het gericht met U die de Waarheid zijt. Evenmin wil ik mijzelf misleiden om mijn ongerechtigheid niet tegen zichzelf te laten liegen". Ik treed dus niet in het gericht met U. Want als Gij op ongerechtigheden acht geeft, Heer, Heer, wie zal dan bestand zijn?