Home

5 september  Het visioen te Osti




Toen de dag aanstaande was waarop Monica uit dit leven zou scheiden - dag die U bekend was, maar ons niet - was het door U, naar ik geloof, op een verborgen wijze zo geregeld, dat zij en ik, alleen, aan een venster geleund stonden, vanwaar men uitzicht had op de binnentuin van het huis dat wij bewoonden, daar in Ostia, aan de Tiber. Ver van alle drukte, na de inspanning van de lange tocht verzamelden wij krachten voor de zeereis. Wij spraken dan samen, wij alleen; het was heerlijk. "Wij vergaten wat achter ons lag en reikten naar wat vóór ons lag"; zo vroegen wij elkander in tegenwoordigheid van U die de Waarheid zijt, hoe het eeuwige leven van de heiligen zou zijn, "dat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en dat in geen mensenhart is opgekomen". Wij smachtten evenwel met de mond van ons hart naar de hemelse waterstromen uit uw bron, "de bron van het leven, die bij U is". Daar wilden wij, naar de mate van ons vermogen mee besprenkeld worden, om een zo verheven onderwerp hoe dan ook met ons denken te bereiken. Toen ons gesprek zo ver was gekomen dat het lichamelijk zingenot, hoe groot en hoe schitterend ook, in de glans van het aardse licht niet waard was om vergeleken te worden ja zelfs niet vermeldenswaard scheen, naast de heerlijkheid van dat andere leven, verhieven wij ons hart in vuriger bewogenheid tot het "Zijn-zelf" en doorliepen trapsgewijs alle lichamelijke dingen en de hemel zelf, waaruit zon, maan en sterren lichten boven de aarde. Nog bleven wij opgaan, terwijl wij innerlijker dachten en spraken en uw werken bewonderden. Zo kwamen wij dan aan onze verstandelijke vermogens en overstegen die, om het oord te bereiken van de onuitputtelijke overvloed, waar Gij Israël weidt tot in eeuwigheid met het voedsel van de waarheid en waar het leven de wijsheid is; in haar is niet een geweest-zijn en een zullen-zijn maar alleen het zijn, omdat zij eeuwig is: want geweest-zijn en zullen-zijn is niet eeuwig. Terwijl wij zo over de wijsheid spraken en naar haar smachtten, kwamen wij min of meer met haar in aanraking, met de volle slag van ons hart. Wij zuchtten, en lieten de "eerstelingen van de Geest", die daar gebonden zijn, achter, en keerden terug naar de luidruchtigheid van onze mond waar het woord een begin en een einde heeft. En wat voor een gelijkenis heeft dat woord met uw Woord, onze Heer, dat "in zichzelf blijft zonder verouderen en dat alles nieuw maakt"?