16 november 413
Ik hoor de mens Christus Jezus zeggen: "Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt; als de graankorrel sterft, brengt hij veel vrucht voort". Ik hoor Hem ook zeggen: "Wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren". Nu wordt mij niet toegestaan. enkel te bewonderen, maar mij wordt opgedragen, ook na te volgen. Vandaar dan word ik door de volgende woorden: "Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen" aangewakkerd, de wereld te verachten. Trouwens de hele damp van dit leven is in mijn ogen als niets, hoe uitgebreid die damp ook is. Vergeleken bij de liefde tot het eeuwige komt mij al het tijdelijke als gering voor. Weer hoor ik dan mijn Heer zelf, die mij met die woorden van mijn zwakheid heeft opgetrokken naar zijn kracht zeggen: "Nu is mijn ziel ontroerd". Wat betekent dit? Hoe beveelt Gij mijn ziel de uwe te volgen als ik uw ziel in verwarring zie? Hoe zou ik verdragen wat een zo grote kracht zwaar vindt? Welke grondslag moet ik zoeken, als de rots bezwijkt? Het komt mij echter voor, als hoorde ik in gedachten de Heer mij antwoorden en ongeveer dit zeggen: "Gij zult Mij des te gemakkelijker volgen, omdat Ik Mij tussen u en uw last plaats, om het te kunnen verdragen. Tot uzelf hoorde u de stem klinken van mijn sterkte, hoor nu in Mij de stem klinken van uw zwakheid; Ik voer krachten aan om hard te kunnen lopen, Ik rem uw vaart niet af: integendeel, Ik neem over waar gij bang voor zijt, en Ik maak de weg effen, zodat gij er over heen kunt. O Heer, mijn Middelaar, God boven ons, mens omwille van ons, ik erken uw mededogen! Want dat Gij, die zo groot zijt, U vrijwillig uit liefde in verwarring brengt, daarmee troost Gij velen in uw lichaam die door hun zwakheid noodgedwongen in verwarring geraken, opdat zij niet wanhopig worden en omkomen.