Home

25 januari  Belijdenis op het tweeëndertigste jaar




Mijn God, ik wil dankbaar uw barmhartigheid jegens mij gedenken en ze U belijden. Laat mijn gebeente doordrongen worden van uw liefde en zeggen: "Heer, wie is aan U gelijk?" "Gij hebt mijn boeien geslaakt: Met offers zal ik U loven". Hoe Gij die boeien hebt verbroken, ga ik vertellen, en allen die U aanbidden zullen bij het horen daarvan zeggen: "Geprezen zij de Heer in de hemel en op aarde; groot en wonderbaar is zijn naam". Uw woorden hadden zich diep in mijn binnenste vastgehecht, en aan alle kanten werd ik door U ingesloten. Ten aanzien van uw eeuwig leven was ik zeker, hoewel ik het slechts zag "in een raadsel" en als "in een spiegel". Toch was iedere twijfel aan een onbederfelijk Wezen bij mij weggenomen. Ik verlangde dan ook niet naar grotere zekerheid over U, maar naar grotere standvastigheid in U. Doch in mijn eigen tijdelijk leven was nog alles wankel en mijn hart moest gezuiverd worden "van de oude zuurdesem". Wel voelde ik voor de Weg zelf, de Zaligmaker, maar ik zag er nog tegen op door de engten van die weg te gaan. Ook zag ik uw kerk vol mensen en de één ging deze, de andere die weg. Wat mij betreft, ik was niet langer tevreden met wat ik in de wereld deed, en ik voelde het als een last, omdat mijn begeerten mij niet meer zoals vroeger met de hoop op eer en geld aanvuurden om die zware dienstbaarheid te dragen, want ik vond in die dingen geen genoegen meer in vergelijking met uw liefelijkheid en de luister van uw huis.