Home

2 december  Het doel van deze belijdenissen

Uit liefde tot uw liefde belijd ik




Conf.11,1

De dingen die ik U zeg, Heer, zijn U zeker niet onbekend, want aan U behoort de eeuwigheid; en evenmin ziet Gij wat in de tijd gebeurt, slechts ten tijde dat het gebeurt. Waarom verhaal ik U dan zoveel dingen? Zeker niet om U het verhaalde door mij te leren kennen, maar ik wek mijn gevoelens van liefde tot U op, en ook die van mijn lezers, om allen te laten zeggen: "Groot is de Heer en hoog te prijzen!" Ik heb het alreeds gezegd en ik wil het nog eens zeggen: uit liefde tot uw liefde doe ik het. Wij bidden toch immers ook en toch zegt de Waarheid: "Want vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt". Onze gevoelens leggen wij U dus voor, terwijl wij U onze ellenden belijden en uw ontfermingen jegens ons; ons verlangen daarbij is dat Gij, ons geheel en al bevrijdt, opdat wij mogen ophouden ellendig te zijn in ons zelf en gelukkig worden in U, want Gij hebt ons geroepen om arm te zijn van geest, zachtmoedig en treurend, hongerend en dorstend naar gerechtigheid, barmhartig, rein van hart en vreedzaam. Ja, ik heb u veel verhaald wat ik kon en wilde verhalen, omdat Gij eerst wilde dat ik het U, de Heer, mijn God, zou belijden; "want" Gij zijt, "goed " en uw barmhartigheid duurt eeuwig. Wanneer echter zal ik in staat zijn met de tong van mijn pen al uw vermaningen tot uiting te brengen en al uw dreigementen, en de vertroostingen en leidingen, waardoor Gij mij ertoe hebt gebracht uw Woord te verkondigen en uw sacrament uit te delen aan uw volk? Ook al was ik dan in staat die dingen één voor één te vermelden, dan zijn de druppels van de tijd te kostbaar voor mij. Bovendien brand ik reeds sinds lang van verlangen mijn gedachten over uw wet te laten gaan en in haar U te belijden: mijn kunde en mijn onkunde, de aanvang van uw verlichting en de resten van mijn duisternis.