Home

14 april  De leerlingen van Emmaüs

Dood & Leven




Na zijn verrijzenis uit de dood ontmoette Jezus twee van zijn leerlingen die samen op weg waren en zich onderhielden over alles wat was voorgevallen. Hij vroeg hun: "Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert, en waarom zijt gij bedroefd?" Jezus verscheen: Hij werd wel met de ogen gezien, maar Hij werd niet herkend. De Meester wandelde met hen op de weg, en Hijzelf was de weg; zij echter wandelden nog niet op de weg, maar Hij stelde vast dat zij waren afgeweken van de weg. Toen Hij immers bij hen was vóór het lijden, had Hij hun alles voorzegd; dat Hij zou lijden, dat Hij zou sterven en dat Hij de derde dag zou verrijzen. Alles had Hij hun voorzegd; maar zijn dood had hen alles doen vergeten. Zij waren echter zó in de war geraakt, toen zij Hem aan het kruishout zagen hangen, dat zij de herinnering verloren aan zijn leer, dat zij niet meer uitzagen naar zijn verrijzenis, dat zij niet meer vasthielden aan zijn beloften. "Wij leefden in de hoop", zeiden zij, "dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen". O leerlingen, gij leefde in de hoop: gij hoopt dus nu niet meer? Christus leeft toch, en in u is de hoop gestorven! Inderdaad, Christus leeft, en de levende Christus vindt de harten van zijn leerlingen dood. Hij verscheen voor hun ogen en toch verscheen Hij niet; Hij werd gezien en toch bleef Hij onopgemerkt. Want als Hij niet werd gezien, hoe konden zij dan zijn vragen horen en op die vragen antwoord geven? Onderweg wandelde Hij met hen als hun reisgezel, en Hij was hun leider. Zeker zagen zij Hem maar zij herkenden Hem niet."Hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen", De ogen werden niet zó verhinderd dat zij Hem niet zagen; maar: "zij werden verhinderd Hem te herkennen". Waar wilde de Heer dan herkend worden? Bij het breken van het brood. Wij kunnen gerust zijn, wij breken het brood en wij herkennen de Heer. Pas daar wilde Hij herkend worden; het was omwille van ons, die Hem niet lichamelijk zouden zien, maar toch zijn lichaam zouden eten. Wie van u dus gelovig is, wie van u niet ten onrechte christen wordt genoemd, wie van u niet zo maar de kerk binnengaat, wie met vrees en hoop luistert naar het woord van God, mag zijn troost vinden in het breken van het brood. De afwezigheid van de Heer is geen eigenlijke afwezigheid; wees gelovig en Hij is bij u, zonder dat gij Hem ziet.