Home

1 juli  Vrezen, om niet te vrezen




Een feest van martelaren

"Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel". De woorden uit de heilige Schrift vermanen ons om vrezend, niet bevreesd te zijn, en om onbevreesd, te vrezen. Toen het heilig evangelie werd voorgelezen hebt gij opgemerkt dat onze Heer en God voordat Hij voor ons stierf, ons moed heeft willen inspreken: door ons aan te manen niet bevreesd te zijn, en ook weer door ons aan te manen bevreesd te zijn. Hij zegt immers: "Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel". Zo heeft Christus ons dus vermaand niet bevreesd te zijn. Merkt op, hoe Hij ons heeft vermaand, bevreesd te zijn. "Vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel". Laten wij dus vrezen, om niet behoeven te vrezen. Vrees schijnt met lafheid in verband te staan; vrees schijnt de zwakken eigen te zijn, niet de sterken. Let eens op, wat de Schrift zegt: "De vrees voor de Heer geeft de sterken hoop". Laten wij dus vrezen, om niet behoeven te vrezen: laten wij behoedzaam vrezen, om niet nodeloos te vrezen. De heilige martelaren waren door te vrezen, onbevreesd; want doordat zij God vreesden, kenden zij geen vrees voor de mensen. Wat heeft de mens immers van mensen te vrezen? Waarmee kan de één de ander vrees aanjagen, de mens een mens? Iemand kan u angst aanjagen en zeggen: ik dood u; en hij vreest niet, dat hij, terwijl hij dreigt, eerder sterft. Ik dood u, zegt hij. Wie zegt dat? Aan wie zegt hij dat? Ik hoor twee mensen: de één maakt bevreesd, de ander is bevreesd; de één is machtig, de ander is zwak; maar beiden zijn sterfelijk. Wat gaat die machtige dan in overmoed groot op zijn stand, terwijl hij in zijn lichaam even zwak is als de ander? Laat hij gerust dreigen met de dood, die zelf niet bang behoeft te zijn voor de dood. Als iemand bang is voor datgene waarmee hij dreigt, laat hij dan op zichzelf letten en zich vergelijken met hem, die hij bedreigt. Laat hij ontdekken, dat degene die hij bedreigt, in dezelfde omstandigheden verkeert als hijzelf, en laat hij daarom samen met hem de barmhartigheid van God afsmeken. Hij is immers maar een mens, en hij bedreigt een mens: het schepsel een schepsel; maar de een is hovaardig, hoewel ondergeschikt aan zijn Schepper, de ander daarentegen zoekt zijn toevlucht bij zijn Schepper. Als mens staande voor een mens, kan de onverschrokken martelaar zeggen: Ik vrees niet, omdat ik vrees.