Home
1 februari Het geheim van de "enkele geest"
"Laat hen vergaan van voor uw aangezicht, God, zoals "de holle praters en verleiders van de geest" vergaan, degenen namelijk die hebben opgemerkt dat er bij het overleggen twee willen zijn en die daaruit afleiden dat er twee naturen in ons zijn en dus twee geesten, één goede en één slechte. Zij zelf zijn in waarheid slecht wanneer zij zulke slechte dingen aannemen en diezelfden zullen goed zijn, als zij ware dingen aannemen en met de waarheid instemmen. Dan kan uw apostel tot hen zeggen: "Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer". Zo dikwijls als ik aan het overwegen was om de Heer, mijn God, te gaan dienen zoals ik mij al lang had voorgenomen, was ik degene, die wilde, ik degene, die niet wilde; ik was dat. Ik wilde niet ten volle wél, ik wilde niet ten volle niet. Daarom streed ik met mijzelf en werd in mijzelf verdeeld, en die verdeeldheid was wel tegen mijn wil, maar was toch niet het bewijs van een vreemde geest, doch van de straf van mijn eigen geest. Derhalve bewerkte ik zelf die verdeeldheid "niet meer, maar de zonde die in mij woonde", en die voortkwam uit de straf voor een vrijer bedreven zonde, omdat ik een zoon van Adam was. Zo leed ik en werd gefolterd, terwijl ik mijzelf heftiger dan gewoonlijk aanklaagde, en mij draaide en keerde in mijn boeien, totdat zij geheel zouden worden verbroken; zij waren nog maar zwak, maar ik werd er toch nog door vastgehouden. Gij deed uw aandrang voortduren in het verborgen van mijn hart, Heer, en verdubbeld werden door U in gestrenge barmhartigheid de geselslagen van vrees en schaamte, om te verhinderen dat ik weer zou dralen en dat zo die zwakke, dunne band die er nog was, niet verbroken zou worden, maar dat deze opnieuw weer sterk zou worden en mij steviger zou binden. Want binnenin zei ik tegen mijzelf: "Vooruit! zonder uitstel, zonder uitstel!" en met dat woord was ik al op weg tot de goede keuze. Bijna deed ik het en ik deed het niet. Toch viel ik ook niet terug in het oude, maar ik bleef vlakbij staan en kwam op adem. Weer probeerde ik het, en nog een klein beetje, en ik was er, en nog een klein beetje, en bijna, bijna, raakte ik het en had het vast, en nee, ik was er niet en had het niet vast; ik bleef aarzelen af te sterven aan de dood en te leven voor het leven.