Carthago basiliek van Honorius 24 sept, 417
"De tempel van de levende God, dat zijn wij", volgens de apostel Paulus. God heeft het zelf gezegd: "Ik zal in hen wonen en met hen omgaan". Hij gaat immers met ons om, aanwezig door zijn Majesteit, als Hij de ruimte aantreft van onze genegenheid. De apostel spoort ons hiertoe aan als volgt: "Zet uw hart open, vormt geen ongelijk span met de ongelovigen". Als wij dus voor God openstaan, gaat God met ons om: maar van dat openstaan is God zelf de bewerker. Als immers ruimte wordt geschapen door de liefde die van geen engheid weet, zorgt dan dat God zich in ons die ruimte schept, volgens het eigen woord van Paulus: "Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken".Vanwege deze ruimte, zeg ik, kan God met ons omgaan. Let eens op wat er gebeurt, als men woningen een betere bestemming wil geven; deels worden zij afgebroken en gesloopt, deels worden zij voor een beter gebruik ingericht; zo gaat het ook met ons. "De uitingen van de zelfzucht zoals losbandigheid, tweedracht en jaloersheid" moeten als afgoden worden gesloopt. De ledematen van ons lichaam moeten weer voor iets beters gaan dienen. Wij zijn werkers in dienst van God, en nog is Gods tempel in aanbouw. In zijn Hoofd Christus, heeft die tempel reeds zijn wijding ontvangen; want de Heer is uit de doden opgestaan en na de dood te hebben overwonnen en de sterfelijkheid tenietgedaan, is Hij naar de hemel opgegaan. "Zingt dus de Heer, gij ganse aarde. Zingt de Heer een nieuw lied", in tegenstelling met het oude lied; zo is er ook een Nieuw Testament, omdat het eerste, het Oude Testament was; evenzo een nieuwe mens, die de oude moet vervangen. "Legt de oude mens af met zijn gedragingen en bekleedt u met de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen, in ware gerechtigheid en heiligheid". "Zingt" dus "de Heer een nieuw lied; zingt voor de Heer, gij ganse aarde". Zingt en bouwt op, zingt en zingt goed. Als de ganse aarde het nieuwe lied zingt dan rijst het gebouw op, als zij zingt: ja, het zingen zelf is opbouwend, maar niet het zingen van het oude lied. De zinnelijke mens zingt het oude lied; de liefde voor God zingt het nieuwe lied. Beter is het nog: de "nieuwe" mens te zijn en te zwijgen, dan de "oude" mens te zijn en te zingen. De liefde immers is juist de stem die zingt tot God, en de liefde zelf is het nieuwe lied. De ganse aarde is dus het huis van God. De liefde houdt de stenen van het nieuwe bouwwerk zo samen, dat de ene steen niet ligt op de andere, maar dat alle stenen één steen vormen. Verwondert u niet hierover: dat doet het nieuwe lied, dat doet de liefde die nieuw maakt.