Tussen 3 91 -3 95
De lezing uit de heilige Schrift heeft ons de welbekende liefdedaad van onze vader Abraham in herinnering gebracht. Deze daad is zo wonderlijk, dat zeker wel niemand zo zwak van geheugen is, dat hij de herinnering daaraan ooit nog verliest. En toch - ik weet niet hoe het komt - telkens als deze geschiedenis wordt voorgelezen, raken de toehoorders zo onder de indruk alsof zij het zagen gebeuren. Zo groot was het geloof van Abraham, zo groot was zijn eerbied niet enkel jegens God maar ook jegens zijn enige zoon, dat het bevel van de Schepper voor deze zoon, naar zijn vaste overtuiging, geen onheil kon betekenen. Want Abraham kon wel de vader zijn van zijn zoon krachtens de natuur, maar geen schepper of maker, wat voorbehouden is aan de Majesteit. Abraham had, volgens de apostel, Isaak als zoon gekregen toen hij alle hoop op nakomelingschap reeds had verloren. Als de belofte van God er niet was geweest, zou zo een oude man niet meer op nakomelingschap van zijn bejaarde vrouw hebben durven hopen. Hij had echter geloofd dat hij zou geboren worden, en hij treurde niet dat hij zou sterven. Zijn hand werd uitgekozen voor het offer: en dat betekende zijn dood; indertijd was zijn hart uitgekozen voor het geloof: en dat betekende zijn geboorte. Abraham aarzelde niet te geloven toen Isaak hem werd beloofd; hij aarzelde niet hem op te offeren toen hij van hem werd opgeëist. De diepe geloofszin van Abraham kwam niet in strijd met zijn gehoorzame aanvaarding. In alle omstandigheden was Abraham gelovig, nooit was hij wreed. Zeker, hij bracht zijn zoon naar de offerplaats, hij wapende ook zijn hand met een mes. Gij merkt op wie slaat en ook wie hij wil slaan. Let op, wie daartoe het bevel geeft. Abraham deed zijn plicht door gehoorzaam te zijn; maar wat te denken van het bevel van God? Als Abraham goed heeft gedaan met te gehoorzamen, dan heeft God veel beter ja, onvergelijkelijk veel beter gedaan met het bevel te geven.