Home

24 augustus   De eis van de liefde




Gehouden op kerkwijding

Laten wij liefhebben, belangeloos liefhebben: wij hebben God immers lief; welnu, niemand is meer liefde waard. Laten wij Hem liefhebben omwille van Hemzelf, en onszelf in Hem, maar toch omwille van Hem. Hij toch houdt echt van zijn vriend, die van God houdt in die vriend: ofwel omdat God in hem is ofwel opdat God in hem zij. Dat is ware liefde: als wij om een andere beweegreden liefhebben, haten wij eerder dan dat wij liefhebben. "Wie" immers "de ongerechtigheid liefheeft": wat haat zo iemand dan? Misschien zijn buurman, misschien zijn buurvrouw? Laat hij er voor terugschrikken: "zo iemand haat zijn eigen ziel". Wie van ongerechtigheid houdt, haat eigen leven. Wie dus van eigen leven houdt, haat ongerechtigheid. "Schuwt het slechte zo gij de Heer bemint". God is goed, gij houdt van iets slechts en gij houdt van uzelf slecht als gij zijt: hoe kunt gij dan van God houden zolang gij nog houdt van wat God haat? Gij hebt immers gehoord dat God ons heeft liefgehad: en dat is waar. Hij heeft ons liefgehad; en wie waren wij die Hij liefhad: als wij erover nadenken kunnen wij wel blozen. Toch hoeven wij niet te blozen omdat Hij, door zulke mensen lief te hebben heeft bewerkt dat zij zo'n mensen niet meer zijn! Wij blozen, als wij denken aan wat voorbij is; wij verheugen ons als wij uitzien naar wat komen gaat. Overigens, waarom zouden wij ons schamen over wat wij zijn geweest, en niet liever vertrouwen dat wij in hoop zijn gered? Wij hebben dan ook gehoord: "Nadert tot Hem, dan straalt gij van vreugde en uw gelaat zal niet blozen van schaamte". Als het licht wijkt, raakt gij weer in verwarring. "Nadert tot Hem, dan straalt gij van vreugde". Hij is dus "licht", wij zonder Hem, duisternis. Als gij weggaat uit het licht, blijft gij in uw duisternis: als gij dus nadert tot Hem, dan straalt gij niet van uw eigen licht. "Eens waart gij immers duisternis", zegt de apostel, "nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer". Zijt gij dus licht door uw gemeenschap met de Heer, dan zijt gij duisternis zonder de Heer. Als gij dus licht zijt door uw gemeenschap met de Heer en duisternis zonder de Heer: "nadert dan tot Hem, dan straalt gij van vreugde".