Home
1 september Ik wilde niet meer wat ik gewild had
"O Heer, ik ben uw dienaar uw knecht, de zoon van uw dienares. Gij hebt mijn boeien geslaakt. Met offers zal ik U loven". Mijn hart moet U prijzen en mijn tong en "al mijn beenderen moeten U zeggen: Heer, wie is aan U gelijk?" Dat moeten zij zeggen; geef Gij mij dan antwoord en zeg tot mijn ziel: "Ik ben uw heil". Wie was ik en hoe was ik? Wat is er niet slecht geweest aan mijn daden; of zo niet aan mijn daden dan toch aan mijn woorden, en zo niet aan mijn woorden dan toch aan mijn wil? Maar Gij, Heer, zijt goed en barmhartig en terwijl Gij de diepte van mijn dood peilde, haalde uw rechterhand tot op de bodem van mijn hart een afgrond van verderf weg. Dat betekende: dat ik niet wilde wat ik had gewild en dat ik wilde wat Gij wilde. Waar was in die lange jaren mijn vrije wil en uit welke diepe en verborgen hoeken werd hij in een oogwenk te voorschijn geroepen, om mij mijn nek te doen buigen onder uw "zachte juk" en mijn schouders onder "uw lichte last", Christus Jezus, "mijn Helper en Verlosser". O Hoe lieflijk werd het mij plotseling, de lieflijkheid van de lichtzinnigheden te ontberen, en had ik eens gevreesd dat ze mij zouden ontvallen, nu was ik blij ze te laten vallen. Want Gij dreeft ze uit mij weg, Gij, ware en hoogste lieflijkheid: Gij dreeft ze weg en trad in mij binnen in hun plaats, Gij, lieflijker dan alle genot, maar niet voor vlees en bloed; klaarder dan alle licht, maar innerlijker dan alle geheim; verhevener dan alle eerbewijs, maar niet voor wie zich verheffen in zichzelf. Mijn geest was nu vrij van de knagende zorgen, van de eerzucht en de winzucht; van het wentelen en het krabben over de schurftplekken van mijn lusten en als een kind praatte ik tegen U, mijn licht, mijn rijkdom en mijn heil, Heer, mijn God.