24 juni vóór 405
O welke majesteit, welke macht, welke verhevenheid, welke gelijkheid met de Vader, is omwille van ons zich komen hullen in het kleed van een slaaf. Besef eens de weg van de nederigheid, bewandeld door zo'n verheven Meester; want het betekent meer dat Hij mens wilde worden, dan dat Hij door een mens gedoopt wilde worden. Ik herhaal het; zo doopt Johannes dus Christus, de dienaar de Heer, de stem het Woord. Herinnert u immers de woorden: "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn"; en herinnert u ook: "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond". Johannes doopt dus Christus, de dienaar de Heer, de stem het Woord, het schepsel de Schepper, de lamp de Zon; maar dan de Zon die onze zon heeft gemaakt; en toch heeft de doper zich niet verheven maar onderworpen aan de Dopeling. Want Johannes spreekt Christus aan als Deze naar hem toekomt: "Gij komt tot mij? Ik heb úw doopsel nodig". Dat is een belangrijke geloofsbelijdenis, en in alle nederigheid een onomwonden verklaring van de "lamp". Want als die het tegen de Zon zou opnemen, zou zij spoedig door een vlaag van hoogmoed worden gedoofd. Dit heeft de Heer voorzien, dit heeft de Heer ons door zijn doopsel duidelijk gemaakt. Hij wilde gedoopt worden: een zo grote persoonlijkheid door een zo kleine persoonlijkheid; kortom: de Verlosser door hem die verlost moest worden. Want misschien was Johannes, hoe groot hij dan ook was, zich bewust van een of ander verborgen kwaad. Vanwaar anders die uitdrukking:"Ik heb uw doopsel nodig" als hij geen behoefte had aan genezing? Wonderlijk geneesmiddel toch, die nederigheid van de Heer: de één doopte, de Ander bewerkte genezing. Als Christus immers "een Heiland is voor alle mensen, bepaald voor de gelovigen", dan is die mening van de apostel zeer juist, want Christus is de Heiland van alle mensen. Niemand kan dus zeggen: "Ik heb geen Heiland nodig." Wie dat beweert, onderwerpt zich niet aan de geneesheer, maar kwijnt weg in eigen ziekte. Als Christus de Heiland is van alle mensen, dan ook van Johannes: want Johannes is evengoed een mens. Wel een groot mens, maar toch mens. Christus is de Heiland van alle mensen: Johannes erkent dan ook in Hem zijn Heiland, want ook van Johannes was Christus de Heiland; Christus sloot Johannes niet uit van het heil en Johannes ontkent dit dan ook evenmin als hij nederig belijdt, met deze woorden: "Ik heb úw doopsel nodig" waarop de Heer antwoordt: "Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen".