21 september 413
De Schriftgeleerden en de Farizeeën hadden onder elkaar afgesproken: Hij wordt beschouwd als waarachtig, Hij staat bekend als zachtmoedig; nu moet een spitsvondigheid worden bedacht betreffende zijn rechtvaardigheid. Laten wij een vrouw naar Hem toebrengen op overspel betrapt en Hem zeggen, wat over haar in de Wet is voorgeschreven. Als Hij opdraagt haar te stenigen, heeft Hij geen zachtmoedigheid, als Hij voorstelt haar vrij te laten, handelt Hij niet volgens de rechtvaardigheid. Om echter niet, zo zeiden ze, de naam van zachtmoedige te verliezen, waardoor Hij bij de mensen al geliefd is geworden, zal Hij ongetwijfeld zeggen dat zij moet worden vrijgelaten. Dat is dan voor ons een gelegenheid om Hem te beschuldigen en klagen wij Hem aan als overtreder van de Wet. Wij zeggen Hem dan: Gij zijt een vijand van de Wet, uw antwoord is tegen Mozes, ja, tegen Hem die de Wet door Mozes heeft gegeven; Gij verdient de doodstraf, Gij zult samen met die vrouw gestenigd worden. Door zulke gezegden en uitspraken zou de afgunst kunnen worden aangevuurd, de aanklacht aangewakkerd, de veroordeling afgedwongen. Voor wie was dat bestemd? Een opstelling van: hun slechtheid tegenover zijn rechtschapenheid, hun valsheid tegenover zijn waarheid, hun verdorvenheid tegenover zijn onverdorvenheid, hun dwaasheid tegenover zijn wijsheid. Wanneer zouden zij Hem ooit een strik kunnen spannen, waarin zij niet eerst zelf hun hoofd zouden steken? Zie, de Heer zou in zijn antwoord zowel de rechtvaardigheid handhaven en aan de zachtmoedigheid niet te kort doen. Degene voor wie de strik werd gespannen is niet gevangen, maar zij zijn gevangen die hem spanden, omdat zij niet geloofden in Hem die hen had kunnen behoeden voor elke strik. Wat heeft de Heer Jezus dan geantwoord? Wat heeft de Waarheid geantwoord? Wat heeft de Wijsheid geantwoord? Wat heeft de Rechtvaardigheid zelf geantwoord voor wie de spitsvondigheid werd bedacht? Hij heeft niet gezegd: "Niet stenigen!" om niet de schijn te wekken tegen de Wet in te gaan. Natuurlijk ook niet: "Stenigen!" want Hij was niet gekomen om te verliezen wat Hij gevonden had, maar om te zoeken wat verloren was. Wat antwoordde Hij dan wél? Merkt op hoe hieruit de rechtvaardigheid spreekt, hoe de zachtmoedigheid en de waarheid! "Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen."