Home

15 maart  Geloofsbelijdenis




Hippo, één of twee weken vóór Pasen

Wij geloven ook in de Zoon, onze Heer Jezus Christus, ware God van de ware God. God, Zoon van de Vader. Van de geboorte van God uit God kunt gij u geen voorstelling maken, en haar niet uitleggen: geloven wordt u slechts toegestaan om gered te kunnen worden, naar het woord van de apostel: "Wie bij God wil komen, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont allen die Hem zoeken". Als gij echter zijn geboorte naar het vlees, waaraan Hij zich voor ons heil heeft willen onderwerpen verlangt te kennen, luister dan en geloof, dat Hij van de heilige Geest uit de maagd Maria is geboren. Wie echter zou ook deze geboorte van Hem kunnen beschrijven? Wie kan op passende wijze waarderen dat God ter wille van de mensen geboren wilde worden, dat een maagd heeft ontvangen zonder een man te bekennen, dat zij gebaard heeft zonder haar maagdelijkheid te verliezen, en dat zij ook daarna haar ongereptheid heeft bewaard? Onze Heer Jezus Christus heeft het niet beneden zich geacht zijn intrek te nemen in de schoot van een maagd; Hij, die zonder smet was, heeft willen wonen in het lichaam van een vrouw. Hij heeft zijn moeder zwanger gemaakt zonder haar maagdelijkheid te schenden; en nadat Hij zichzelf had gevormd is Hij van haar weggegaan, terwijl Hij de schoot van zijn moeder ongerept liet. Zo wilde Hij haar uit wie Hij wilde geboren worden, zowel de eer van het moederschap schenken als de ongereptheid van de maagdelijkheid. Wie kan dit begrijpen? Wie kan het beschrijven? Wie kan dus ook deze geboorte onder woorden brengen? Wiens geest is in staat te begrijpen, wiens tong is in staat uit te drukken, niet enkel, dat het Woord in het begin was, zonder ooit een begin van geboorte te hebben gekend; maar ook dat het Woord is vlees geworden, na zich een maagd te hebben uitgekozen die Hij moeder maakte, maar tevens maagd liet blijven. Wie kan dit doorgronden? Wie zou er over kunnen spreken? Wie zou er over kunnen zwijgen? Het wonderlijke is: dat wij niet mogen verzwijgen wat wij niet vermogen uit te drukken. Met onze stem verkondigen wij, wat wij met ons verstand niet kunnen bevatten, Een zo groot geschenk van God is niet onder woorden te brengen, omdat wij maar kleine kinderen zijn tegenover zijn grootheid, die wij onder woorden willen brengen. Toch voelen wij ons gedreven God ervoor te loven, om niet ondankbaar te lijken door te zwijgen. God zij gedankt, dat wij in alle oprechtheid kunnen geloven waarvoor wij de juiste woorden niet kunnen vinden.