Home

26 juli  "Wij zijn het eerst bemind, om waard te zijn te worden bemind"




Waar wilt gij naar toe? Misschien wilt gij, door hebzucht geleid, wel alles bezitten. "Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven", zegt Christus. Mogelijk zult gij zeggen: Aan Christus is alles geschonken, is het dan soms ook aan mij? Luister naar het woord van de apostel; luister, zoals ik reeds heb gezegd, om u niet door vertwijfeling te laten ontmoedigen; luister hoe gij zijt bemind zonder beminnenswaard te zijn; luister hoe gij zijt bemind toen gij eerloos en lelijk waart, voordat er in u iets was, waard om te worden bemind. Gij zijt eerst bemind, om waard te zijn te worden bemind. "Want Christus is voor goddelozen gestorven", zegt de apostel. Of verdiende een goddeloze soms bemind te worden? Wat verdiende eigenlijk een goddeloze, vraag ik? Verdoemd te worden, is uw antwoord. Toch "is Christus voor goddelozen gestorven". Zie dus wat Hij u, goddeloze, heeft geschonken: wat houdt Hij dan te goed voor de godvrezende? Wat is dan geschonken aan de goddeloze? "Christus is voor goddelozen gestorven". Gij verlangde toch alles te bezitten. Wil het niet door hebzucht; zoek het langs de weg van de liefde; als gij immers zo zoekt zult gij het bezitten. Want gij zult Hem bezitten door wie alles gemaakt is en met Hem zult gij alles bezitten. Dit zeg ik niet, steunend op redenering. Luister maar naar het woord van de apostel zelf: "God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd; en zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?" Gierigaard, daar hebt gij alles! Acht gering alles wat u lief is maar waardoor gij wordt afgehouden van Christus, en hecht u aan Hem, in wie gij alles kunt bezitten. De geneesheer dus in eigen persoon, die aan zo'n geneesmiddel in het geheel geen behoefte had, heeft toch wat voor hem niet nodig was, gedronken, om de zieke aan te sporen; Hij heeft het eerst gedronken en heeft in zekere zin de weigerachtige mens als het ware aangesproken en de angstvallige opgebeurd. "Het is", zegt Hij, "de beker die Ik ga drinken". Ik, die niets in Mij heb, wat door die drank genezen kan worden, zal hem toch drinken, opdat gij voor wie het drinken zo nodig is, het drinken ervan niet minachtend van de hand zoudt wijzen. Ziet nu eens, of de mensen nog langer ziek moeten zijn terwijl zij toch zo'n geneesmiddel hebben ontvangen.