Home
16 januari Op zoek naar een wezen om lief te hebben.
Ik kwam te Carthago en overal om mij heen was het een laaiende gloed van misdadige minnerijen. Liefhebben deed ik nog niet; maar liefhebben was mij lief. Uit een diepere behoefte aan liefde haatte ik mijzelf omdat ik niet genoeg behoefte had aan liefde. Ik zocht een wezen om lief te hebben, lief was immers mij de liefde; maar ik haatte de veiligheid en een weg zonder valstrikken, want wel was in mij de honger naar inwendige spijs, naar U, mijn God, maar niet die honger deed mij hunkeren, neen, ik had geen lust in onbederfelijk voedsel; niet dat ik ervan verzadigd was, maar hoe meer ik ervan verstoken was, hoe meer het mij tegenstond. Daarom ging het mij niet goed en vol zweren stortte ik mij op de buitenwereld, ongelukkig brandend van verlangen om zinnelijk gestreeld te worden. Als er immers van de zinnelijke dingen niets uitging, zou men ze zeker niet kunnen liefhebben! Liefhebben en geliefd zijn was mij zoet, vooral als ik tevens van het lichaam van de geliefde kon genieten. De bronader van de vriendschap besmeurde ik dus met de modder van de begeerlijkheid, en haar luister verduisterde ik door helse wellust. En toch, zo walgelijk en zedeloos als ik was, ging ik er uit verregaande ijdelheid groot op, voor fijn en beschaafd door te gaan. Ik kwam zelfs in een liefdesstrik terecht, waarin ik mij graag liet vangen. Mijn God, mijn Barmhartigheid, met welk een gal hebt Gij mij in uw goedheid die heerlijkheid besprenkeld. Want ik werd bemind en kwam heimelijk tot een zondige verbintenis; met genoegen liet ik mij binden met rampzalige banden, om daarna gegeseld te worden met gloeiende ijzeren roeden van jaloezie en achterdocht, van angst, toorn en ruzie.