Zaterdag, 9 augustus het jaar 413
"Dit is mijn vlees", zegt de Heer, "ten bate van het leven der wereld". Als de gelovigen het niet geringschatten "lichaam van Christus" te zijn, dan kennen zij ook het "lichaam van Christus". Laten zij het "lichaam van Christus" worden als zij willen leven van de Geest van Christus. Alleen het "lichaam van Christus" leeft van de Geest van Christus. Wilt ook gij dus leven van de Geest van Christus? Wees dan in het lichaam van Christus. Leeft mijn lichaam dan soms van uw geest? Mijn lichaam leeft van mijn geest, en het uwe van de uwe. Het lichaam van Christus kan slechts leven van de Geest van Christus. De apostel Paulus kan dan ook, wanneer hij ons dit brood verklaart, zeggen: "Omdat het brood één is, vormen wij allen te zamen één lichaam". O sacrament van tederheid! O teken van eenheid! O band van liefde! Wie wil leven, heeft hier iets waarvan hij kan leven, heeft hier iets waaruit hij kan leven! Laat hij naderbij komen, laat hij geloven, laat hij zich inlijven om tot leven te worden gewekt. Hij moet geen afkeer hebben van de band met de andere ledematen, hij moet geen aangetast lidmaat zijn dat afgesneden dient te worden, laat hij evenmin een misvormd lidmaat zijn waarover men zich schaamt; laat hij een gaaf, geschikt en gezond lidmaat zijn; laat hij innig verbonden blijven met het lichaam en leven van God voor God. Nu op aarde zal hij zich moeite geven om later in de hemel te kunnen heersen. "De Joden echter twistten onder elkaar en zeiden: Hoe kan Deze ons zijn vlees te eten geven?" Zij moeten wel twisten onder elkaar, want zij hadden niet het minste begrip voor dit brood van eendracht, en zij wilden het evenmin tot zich nemen. Wie wel eten van dit brood twisten niet onder elkaar, want "omdat het brood één is, vormen wij allen te zamen één lichaam". Dit is dan het brood waardoor God de mensen "eensgezind laat wonen in zijn huis". Zij twisten met elkaar en vragen zich af hoe de Heer zijn vlees te eten kan geven, maar zij krijgen niet onmiddellijk antwoord. Eerst wordt hun dit nog gezegd: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u". Gij weet wel niet hoe dit brood wordt gegeten en op welke manier het gekauwd moet worden, maar toch: "Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u". Opdat de mensen nu niet zouden denken dat het over dit aardse leven ging en zij daarover zouden twisten, voegde Hij eraan toe: "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven". Wie dit brood dus niet eet, en dit bloed niet drinkt, blijft verstoken van dit leven: het tijdelijke leven toch kunnen de mensen zonder dit voedsel wel bezitten, het eeuwig leven echter volstrekt niet.