Waarschijnlijk tussen 400-410
"Wie door de deur binnengaat, is de herder; wie echter langs een andere weg binnengaat, hij is een dief en een rover; hij komt om de schapen uiteen te jagen om ze te verstrooien en te roven". Wie is het die door de deur naar binnen gaat? Dat is hij die door Christus naar binnen gaat. Wie is dat? Dat is hij die Christus in zijn lijden navolgt, die de nederigheid van Christus beseft. Omdat God mens is geworden voor ons, moet de mens beseffen dat hij mens is en niet God. Wie immers voor God wil doorgaan, terwijl hij een mens is, is geen navolger van Christus, die, hoewel Hij God was, mens is geworden. Tot u wordt echt niet gezegd: Wees iets minder dan gij zijt, maar: besef wat gij zijt. Besef, dat gij zwak zijt, besef, dat gij mens zijt, besef, dat gij zondaar zijt, besef, dat Hij rechtvaardigt, besef, dat gij niet vlekkeloos zijt. Laat bij uw belijdenis de vlekken van uw ziel zichtbaar worden, dan zult gij tot Christus' kudde behoren. Want belijdenis van zonden nodigt de geneesheer uit tot genezen. Het is als bij een lichamelijke ziekte; wie zegt: "Ik ben gezond" gaat niet naar de geneesheer. Was die Farizeeër niet evengoed opgegaan naar de tempel als de tollenaar? Die Farizeeër ging prat op zijn gezondheid, die tollenaar liet zijn wonden aan de geneesheer zien. De eerste zei: "God, ik dank U, dat ik niet ben als die tollenaar". Hij ging er groot op, dat hij boven de andere stond. Als die tollenaar gezond was geweest, zou die Farizeeër afgunstig op hem zijn geweest; hij zou dan niemand hebben, waarboven hij zich kon verheffen. In welke stemming was die Farizeeër, die zo afgunstig was, gekomen? Hij was helemaal niet gezond; en omdat hij beweerde gezond te zijn, ging hij weg zonder genezen te zijn. Die tollenaar echter sloeg de ogen neer ter aarde en durfde ze niet ten hemel te heffen; hij klopte zich op de borst en zei: "God, wees mij, zondaar, genadig". Wat antwoordt dan de Heer? "Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaar ging gerechtvaardigd weg uit de tempel en de Farizeeër in het geheel niet. Want al wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden,"