25 December vóór het jaar 411-412
Wie van de mensen kent alle geheime schatten van wijsheid en kennis in Christus, en alles wat er schuil gaat in de armoede van zijn mensheid? Want "om onzentwil is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede". Toen Hij dan de sterfelijkheid van ons aannam en de dood helemaal van ons wegnam, openbaarde Hij zich in armoede; toch verloor Hij zijn eigen rijkdom niet waarvan Hij afstand deed, maar Hij beloofde ons die voor later. "Hoe groot is zijn goedheid die Hij heeft weggelegd voor hen die Hem vrezen, die Hij echter bewijst aan hen die op Hem vertrouwen!" Ten dele immers kennen wij, totdat het volmaakte komt. Om ons echter geschikt te maken dat te vatten, is Hij, gelijk aan de Vader in goddelijke Majesteit, aan ons gelijk geworden in het bestaan van een slaaf, en vormt ons om tot de gelijkenis met God. Zo maakt de enige Zoon van God, Mensenzoon geworden, veel mensenzonen tot zonen van God; en de slaven, gesterkt door het zichtbare bestaan van een slaaf, maakt Hij tot vrije mensen, in staat om zijn goddelijke Majesteit te aanschouwen. "Wij zijn" immers "kinderen van God, en wat wij zullen zijn, is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is". Laten wij dan de Heer uit de grond van ons hart toespreken: "Ik heb uw aanschijn gezocht, uw aanschijn, Heer, zal ik zoeken; wend uw aangezicht niet van mij af". Moge Hij dan ons hart antwoord geven: "Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en zal Mij aan hem openbaren. Laten wij intussen, terwijl wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en met onuitsprekelijke aandrang verlangend uitzien naar de schoonheid van zijn goddelijk bestaan, met gepaste eerbied de geboortedag vieren van zijn onderworpen mensenbestaan. Nog zijn wij niet in staat te aanschouwen dat Hij vóór de morgenster uit de Vader is geboren; laten wij daarom in groten getale vieren dat Hij in de nachtelijke uren uit de maagd is geboren. Nog begrijpen wij niet dat zijn Naam bestaat voordat de zon bestond; laten wij daarom erkennen dat Hij in de zon zijn woonplaats heeft. Nog zien wij niet hoe de Eniggeborene altijd in zijn Vader verblijft; laten wij ons herinneren hoe de bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt. Nog zijn wij niet geschikt om aan te zitten aan het feestmaal van onze Vader, laten wij dan oog hebben voor de kribbe van onze Heer Jezus Christus.