Home

10 juli  Niet zien, toch geloven




Het jaar 400

Niemand mag denken, dat onze Heer Jezus Christus de wonderen van weleer nu niet doet en dat Hij daarom de eerste tijden van de Kerk stelt boven de huidige. Onze Heer heeft toch ergens aan hen die niet zien en toch geloven, de voorkeur gegeven boven hen die zien en daarom geloven. Want de leerlingen weifelden in die tijd uit zwakheid zo, dat zij de Heer die zij reeds als Verrezene zagen, nog dachten te moeten aanraken om te kunnen geloven. Wat zij zagen, voldeed hun ogen niet; zij wilden ook met hun handen zijn ledematen betasten en de littekens van zijn pas toegebrachte wonden aanraken. Zo beleed ook die leerling, die bleef twijfelen, plotseling, na zich vergewist te hebben door de wonden aan te raken, met luide stem: "Mijn Heer en mijn God!" De littekens openbaarden in hem Degene die alle wonden in anderen had genezen. Kon de Heer dan niet verrijzen met een lichaam zonder littekens? Hij kende echter de wonden van de leerlingen in hun hart en om die te genezen had Hij de littekens in zijn lichaam behouden. Welk antwoord gaf de Heer dan aan hem die beleed met de woorden: " Mijn Heer en mijn God!"? "Gij gelooft", antwoordde Hij, "omdat gij Mij gezien hebt. Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben. Van wie anders, heeft de Heer willen spreken, dan van ons? Van ons niet alleen, maar van allen die na ons komen. Want, kort daarna, nadat Christus zich aan de ogen van de mensen had onttrokken om het geloof in hun harten te versterken, hebben allen die geloofden, zonder te zien geloofd, en hun geloof was zeer verdienstelijk; want om dit geloof te krijgen, naderden zij met een gelovig hart, en niet met de hand om Hem aan te raken. Deze handeling van de Heer was een uitnodiging tot geloof. Dit geloof is thans waar te nemen in de Kerk overal op aarde. Het bewerkt nu grotere genezingen, die onze Heer op het oog had, toen Hij het niet beneden zich achtte die wonderen van lagere rang te doen. Zoals toch het geestelijke boven het lichamelijke staat, zo staat het welzijn van de geest boven dat van het lichaam. Thans opent het lichaam van een blinde de ogen niet door een wonder van de Heer, maar een verblind hart opent zijn ogen voor het woord van de Heer. Thans verrijst geen lijk, opnieuw bestemd voor de dood; maar een ziel verrijst, die als dood lag begraven in een levend lijk.