Home

30 september  Toekomst steunend op beloften




Na het jaar 400

Wij, mensen, zijn iets groots geworden; niemand mag daarom te gering over zichzelf denken; wij waren "niets", nu zijn wij "iets". Wij hebben tot de Heer geroepen: "Wees gedachtig dat wij slechts stof zijn". Uit het stof echter heeft Hij de mens gemaakt, aan het stof heeft Hij het leven gegeven, en in Christus, onze Heer, heeft God dat stof zelf reeds het hemelrijk binnengeleid. Hier toch heeft Christus het vlees aangenomen, van hier heeft Christus het aardse aangenomen en heeft Hij dat aardse verheven tot in de hemel, Hij, die aarde en hemel heeft gemaakt. Als nu eens twee nieuwe, ongehoorde mogelijkheden aan ons werden voorgesteld, en ons werd dan gevraagd: Wat is er wonderlijker: ofwel dat Hij, die God is, mens wordt, ofwel dat hij, die mens is, een mens Gods wordt? Wat is wonderlijker, wat is moeilijker? Wat heeft Christus ons beloofd? Iets, wat wij nog niet zien, te weten: dat wij mensen van Hem zullen zijn, dat wij zullen heersen met Hem en niet zullen sterven in eeuwigheid. Dit lijkt ons moeilijk aan te nemen, dat een mens, geboren op aarde, tot dat leven kan komen, waar nooit iemand sterft. Toch is het dát wat wij geloven, als ons hart gereinigd is; als het gereinigd is, zeg ik, van het stof van de wereld, om te voorkomen dat dát stof ons de ogen van het geloof sluit. Ja, wij worden gedwongen te geloven, dat wij na onze dood zelfs met ons lichaam dat door de dood is getroffen, zullen genieten van een leven, dat nooit meer de dood zal kennen. Dat is wonderlijk: maar wonderlijker is wat Christus heeft gedaan. Wat is immers ongelooflijker: dat de mens altijd leeft, of dat God ooit sterft? Al is het nog te geloven dat mensen het leven ontvangen van God, het lijkt mij helemaal niet te geloven, dat God door mensen de dood ondergaat. Toch is dat laatste al gebeurd; laten wij dan geloven ook wat nog te gebeuren staat. Als hetgeen ongelooflijker is al werkelijkheid is, zal God ons dan het meer gelooflijke niet schenken? Wat zullen wij zijn? Engelen. Wat zijn wij geweest alvorens er te zijn? Niets waren wij. Wat waren wij toen wij in de moederschoot waren? Het volstaat dat gij u dat te binnen roept. Gij leeft: planten en bomen leven ook. Gij voelt: dieren voelen ook. Gij zijt mensen: gij leeft, gij voelt, gij begrijpt; kortom, gij zijt mensen. Wat kan nu met dat voorrecht worden vergeleken? Gij zijt christenen. Als wij dat immers niet zouden aannemen, wat zou het ons baten, mens te zijn? Christenen zijn wij dus, Christus behoren wij toe. De wereld mag nog zo razen, breken kan hij ons niet; want Christus behoren wij toe. De wereld mag nog zo vleien, verleiden kan hij ons niet, want Christus behoren wij toe.