Home

2 november  Verrijzenis en eeuwig leven




Tussen 410-420

Wanneer gezegd wordt, dat God de doden zal doen opstaan, dan wordt toch, denk ik, niet iets ongelooflijks gezegd. Want hier is sprake van God, niet van een mens. Het is iets groots, dat gaat gebeuren, en het is iets ongelooflijks, dat gaat gebeuren. Toch moet het niet als iets ongelooflijks klinken; want let erop, wie het doet. Van Hem zegt men, dat Hij u doet opstaan, die u heeft geschapen. Gij waart er niet, en toch zijt gij er nu; en nu gij geschapen zijt, zoudt gij niet langer voortbestaan? Geen sprake van, geloof het niet. Iets wonderlijkers heeft God gedaan, toen Hij maakte wat er niet was; en toch heeft Hij gemaakt wat er niet was. Gelooft men dan niet, dat Hij zal herstellen wat er reeds was? Geloven juist zij dat niet, die Hij gemaakt heeft toen zij er niet waren? Is dat de erkentelijkheid jegens God van ons die er niet waren en die er nu zijn? Is dat de erkentelijkheid jegens Hem dat wij geloven dat Hij hetgeen Hij heeft gemaakt niet kan opwekken? "Heb Ik u daartoe gemaakt", zegt God tot u, "o mens, voordat gij waart, dat gij Mij niet gelooft, dat gij zult zijn, wat gij waart, gij, die hebt kunnen zijn, wat gij niet waart?" Zie nu eens, zo zegt men, wat ik in het graf zie is stof en as en beenderen: zal dat leven ontvangen? Dit ziet gij, het is in ieder geval as of beenderen: maar voordat gij waart, was er ook geen as en geen beenderen. Toch zijt gij iets geworden terwijl gij in het geheel niet bestondt, en gelooft gij niet, dat die beenderen de gedaante zullen terugkrijgen, die zij hadden, hoewel gij hebt gekregen, wat gij niet hadt? Geloof; want als gij dit gelooft, dan zal op die tijd uw ziel worden verwekt, "dan zal het uur komen en het is er al", dan zal tot uw heil uw vlees opstaan, wanneer het uur zal komen, "dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn komen". Toch is het niet voldoende om al te juichen, nu gij dit hoort en uw hoofd opricht; luister naar wat volgt: "Wie het goede deden zullen komen tot de opstanding ten leven; maar die het kwade hebben gedaan tot de opstanding ten oordeel".