Home

11 april  Verrijzenis Christus' dood: Ons leven




Hippo, Paasdag

Wij hebben naar het evangelie geluisterd; het verhaal van de verrijzenis van onze Heer Jezus Christus is ons voorgelezen. Christus is verrezen, dus is Christus gestorven. Zijn verrijzenis is de getuige van zijn dood, maar de dood van Christus betekent de ondergang van de vrees. Laten wij niet bang zijn te sterven, want Christus is voor ons gestorven; laten wij gerust sterven in de hoop op het eeuwig leven; Christus toch is verrezen opdat wij zouden verrijzen. In zijn dood en verrijzenis hebben wij de taak, die is opgedragen en tevens de beloning, die is beloofd; de opgedragen taak is het lijden, de beloofde beloning de verrijzenis. Deze taak hebben de martelaren volbracht; laten wij haar uit liefde volbrengen, als wij het niet kunnen door te lijden voor ons geloof. Niet allen immers is het gegeven voor Christus te lijden en voor Christus te sterven; maar dat sterven overkomt ons allen. Gelukkig zijn zij, die voor Christus hebben volbracht, wat onvermijdelijk moest gebeuren. Onvermijdelijk toch was het te sterven, maar het was niet onvermijdelijk, voor Christus te sterven. Voor allen zal de dood komen, maar niet voor allen de dood voor Christus. Zij, aan wie het te beurt viel voor Christus te sterven, hebben in zekere zin dát wat voor hen was uitgegeven, teruggegeven. De Heer had hun gegeven, dat Hij voor hen stierf; zij hebben het Hem teruggegeven door voor Hem te sterven. Waarvan echter zou de ongelukkige arme mens teruggeven, als de gelukkige Heer hem niet eerst had gegeven? Het is dus zo: wat Christus aan de martelaren heeft verschaft, heeft Hij hun gegeven, opdat zij er weer van konden teruggeven aan Christus. Het is immers een woord van martelaren: "Was de Heer niet met ons geweest dan hadden zij ons levend verslonden"; de vervolgers, zo wil men zeggen, zouden ons wellicht levend hebben verslonden. Door welke kracht hebben zij hen dat niet gedaan, waartoe de vervolgers de martelaren wilden dwingen? Laten wij hen zelf vragen, laten zij het zelf zeggen. Luistert, dit antwoorden zij: "Was de Heer niet met ons geweest". Hij heeft dus gegeven, wat Hem zou worden teruggegeven. God zij dank; Hij is rijk, en zoals over Hem geschreven staat: "Hij is arm geworden, om ons rijk te maken". Door zijn armoede zijn wij rijk geworden, door zijn wonden zijn wij gezond geworden, door zijn nederigheid zijn wij opgeheven, door zijn dood zijn wij levend gemaakt.