Boseth
Tijdens het lezen van het heilig evangelie hebt gij onder meer deze woorden van onze Heer Jezus gehoord: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven". Naar waarheid en leven verlangt ieder mens; maar niet iedereen ontdekt de weg. Sommige wijsgeren hebben ingezien dat God op een of andere wijze eeuwig en onveranderlijk leven is; anderen weer dat Hij bestendige en duurzame waarheid is; zij hebben het wel gezien, maar heel uit de verte; zij hebben het gezien, maar in dwaling verkerend, konden zij de weg om te komen tot dat groot, onuitsprekelijk en zalig bezit niet vinden. Een bewijs dat ook zij, althans in zover dat voor een mens mogelijk is, de Schepper door middel van het geschapene hebben gezien, geeft de apostel Paulus: een bewijs dat alleszins geloofwaardig is voor de christenen. Luister maar hoe God zich heeft geopenbaard: "Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen", dat van God namelijk, "door de rede in zijn werken aanschouwd; zijn eeuwige macht en zijn godheid; daarom zijn zij niet te verontschuldigen. Want ofschoon zij God kenden, hebben zij God niet de Hem toekomende eer en dank gebracht; al hun denken is op niets uitgelopen, en hun geest, die het inzicht verwierp, werd verduisterd. Zij beweerden wijzen te zijn maar werden dwazen". Wat zij door hun weetgierigheid hadden gevonden, hebben zij door hun hoogmoed verspeeld. Zo hebben de wijzen door hun ongerechtigheid de waarheid onderdrukt en de weg die leidde naar de waarheid toe die zij hadden onderkend, hebben zij niet gevonden. Nu is Christus, omdat Hij bij de Vader waarheid en leven is, en wij niet konden geraken tot de waarheid, door mens te worden onze "weg" geworden. Volg de weg die Hij is als mens, en gij komt tot bij God. Door tussenkomst van Hem komt gij tot bij Hem. Zoek geen andere weg om naar Hem te gaan, buiten Hem. Als Hij immers zelf niet had gewild onze weg te zijn, zouden wij altijd in dwaling verkeren. Daarom is Hij "weg" geworden, waarlangs gij kunt gaan. Ik zeg u niet: zoek de weg. De "weg" zelf is naar u toegekomen: sta op en ga de weg. Maak voortgang: zedelijk, niet lichamelijk. Velen gaan immers wel goed, lichamelijk gesproken; maar toch slecht, zedelijk gesproken. Soms zijn zij wel goed in het gaan, maar toch, bezijden de weg, aan het (ver)gaan. Hoe harder zij lopen, hoe meer zij dwalen; want zij wijken af van de weg. Als die mensen echter weer op de goede weg komen, en als zij die goede weg volgen, welk een zekerheid geeft hun dat dan, omdat zij op de goede weg zijn en niet dwalen! Volgen zij echter de weg niet, hoe hard zij ook lopen, het is droevig met hen gesteld! Het is immers nog beter mank te gaan op de goede weg, dan hard te lopen bezijden de weg.