Home
8 juni De ware Rijkdom
Als gij van het leven houdt en bang zijt voor de dood, dan voelt gij de angst voor de dood dagelijks als een ijzige kou. Juist dan vooral, als het ons goed gaat, kwelt ons de angst voor de dood het meest. Want als het ons slecht gaat, hebben wij geen angst voor de dood. Als het ons goed gaat, dan hebben wij meer angst voor de dood. Zo was het ook met die jongeman, denk ik, voor wie de rijkdom zijn grote vreugde was, - en hij was zeer rijk en had vele bezittingen - ; hij werd, volgens mij, gehinderd door de vrees voor de dood, en hij kwijnde weg temidden van zijn genoegens. Hij dacht immers steeds dat hij die goederen zou achterlaten: hij had er veel van opgestapeld, zonder te weten voor wie; en hij verlangde naar iets eeuwigs; daarom kwam hij naar de Heer toe en zei tot Hem: "Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" Ik heb het goed, maar wat ik bezit, ontglipt mij. Ik heb het goed, maar dat geluk waarvan ik geniet, zal er opeens niet meer zijn; zeg mij dus hoe ik iets kan hebben, dat altijd zal zijn; zeg mij hoe ik tot dát kan geraken, wat ik niet kan verliezen. De Heer antwoordt hem: "Als gij het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden". Hij vraagt: welke geboden? Hij verneemt ze. Hij antwoordt dat hij ze allemaal vanaf zijn jeugd heeft onderhouden. De Heer, die Raadgever van eeuwig leven, zegt hem: "Eén ding ontbreekt u: wilt gij volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat gij bezit en geef het aan de armen; daarmee zult gij een schat in de hemel bezitten". Want Ik zeg niet: "vernietig het", maar: "bewaar het", en: "kom, volg Mij". De jongeman die behagen schepte in zijn rijkdom, vroeg daarom ook aan de Heer wat voor goeds hij moest doen om eeuwig leven te verwerven; want hij wilde van het ene geluk overgaan naar het andere en vreesde voortdurend, dat hij de rijkdom waarin hij behagen schepte, moest verlaten. Daarom keerde hij bedroefd terug naar zijn aardse schatten. Hij wilde geen geloof hechten aan de Heer, die in de hemel kan bewaren wat op aarde moet vergaan. Hij wilde niet echt minnaar zijn van zijn eigen schat. Door hem slecht te beheren, verloor hij hem; door teveel ervan te houden, raakte hij hem kwijt. Want als hij er echt had van gehouden zou hij hem hebben overgebracht naar de hemel, waar hijzelf hem eens zou volgen. God wijst hem een huis waar hij hem kan overbrengen; niet een plaats waar hij hem kan verliezen, want Hij voegt eraan toe: "Waar uw schat is, daar is ook uw hart".