Home

5 maart  Steeds maar weer vergeven.




Uit het heilig evangelie hebben wij een allerheilzaamst voorschrift vernomen, dat wij namelijk onze broeder die tegen ons heeft misdaan, moeten vergeven en dat het niet genoeg is, dit éénmaal te hebben gedaan, maar dat wij hem moeten vergeven zo dikwijls als hij tegen ons heeft misdaan, wanneer hij om vergeving zal vragen. Want dit zegt de Heer: "Al misdoet uw broeder zevenmaal per dag tegen u, maar zevenmaal per dag ook wendt hij zich tot u met de woorden: het spijt me, dan moet gij hem vergeven". Nu moet gij goed begrijpen, dat met "zevenmaal daags" wordt bedoelt: "zo dikwijls als". Gij moogt er niet genoeg van krijgen, gij moet hem steeds maar weer vergeven, als hij spijt heeft. Als gij zelf geen schuldenaar waart, zoudt gij ongestraft een lastig schuldeiser kunnen zijn. Nu gij dan, zelf schuldenaar, een schuldenaar hebt, en gij de schuldenaar zijt van Hem, die zelf geen schuld heeft, nu moet gij wél overleggen, wat gij doet met uw schuldenaar: want ditzelfde zal God doen met de zijne. Als gij blij zijt wanneer u wordt vergeven, zorg er dan angstvallig voor, dat gij ook zelf vergeeft. Hoe gerechtvaardigd uw angst is, dat maakt u de Zaligmaker zelf duidelijk, als hij u in het evangelie het beeld voorhoudt van die dienaar, met wie zijn meester wilde afrekenen en die bleek, hem honderdduizend talenten schuldig te zijn. "De meester gaf bevel hemzelf te verkopen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen". De dienaar wierp zich voor zijn meester neer, smeekte om uitstel maar hij kreeg kwijtschelding. Toen de knecht echter van zijn meester was weggegaan, na volledige kwijtschelding van zijn gehele schuld, ontmoette hij een medeknecht, die hem iets schuldig was. Hij was hem namelijk honderd tienlingen schuldig; de eerste knecht greep deze laatste bij de keel tot wurgens toe en wilde hem dwingen, te betalen. Dit werd aan de meester verteld en deze heeft, zoals gij weet, hem niet alleen gedreigd, dat hij hem in het vervolg nooit meer iets zou kwijtschelden, als weer zou blijken dat hij hem iets schuldig zou zijn, maar alles, wat hij hem had kwijtgescholden, rekende hij hem nu weer aan als schuld, en hij beval hem alsnog alles te betalen wat hij hem had kwijtgescholden. Hoe bevreesd moeten wij dus zijn, als er geloof in ons is, als wij het evangelie geloven. Laten wij dus angstvallig en nauwkeurig zijn gebod nakomen, laten wij op onze hoede zijn en vergeven. Wat verliest gij erbij, wanneer gij vergeeft? Gij schenkt toch slechts vergiffenis, geen geld.