Ca het jaar 410
Christus, die God was en mens, wilde ons laten leven van zijn leven, en daarom is Hij gestorven in ons leven. Hijzelf had niets waardoor Hij kon sterven: wij hadden niets waardoor wij konden leven. Wat was Hij dan, dat Hij niet kon sterven? "In het begin was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God". Al onderzoekt men ook hoe God zou kunnen sterven, men zal het niet ontdekken. Wij, mensen, met ons lichaam getekend door de zonde, wij sterven. Heeft de zonde soms een eigen bestaansreden? Die heeft ze niet. God kon dus niet sterven uit zichzelf en wij konden niet leven uit onszelf; maar wij hebben het leven van Hem, Hij de dood van ons. Welk een ruil! Wat geeft Hij en wat ontvangt Hij. Handelaren wisselen hun koopwaar uit door te ruilen. Eertijds bestond er alleen ruilhandel. Men gaf wat men had, om te ontvangen wat men niet had. Het is onmogelijk alle soorten handelswaar op te sommen; maar toch geeft niemand het leven om de dood ervoor in ruil te ontvangen. De stem van de geneesheer heeft dan ook niet tevergeefs geklonken aan het kruis. Eigenlijk kon het Woord niet sterven, maar om toch voor ons te sterven, is het "Woord vlees geworden en heeft onder ons gewoond". Hij hing aan het kruis doch in menselijke gestalte. Daar hebben wij de lage prijs die de Joden hebben veracht; daar de hoge prijs waardoor de Joden zijn bevrijd. Ten bate van hen is immers gebeden: "Vader, vergeef hun want zij weten niet wat zij doen". Dat gebed is niet tevergeefs geweest. Hij is gestorven, Hij is begraven, Hij is verrezen. Degene die hangend aan het kruis, werd bespot, zetelt in de hemel, om de heilige Geest te schenken. Degenen van wie Christus had gezegd: "Vader, vergeef hun want zij weten niet wat zij doen", hebben ervan gehoord en zijn gaan geloven. Zij hebben geloofd, zij zijn gedoopt; dat was de bekroning van hun bekering. Wat een ommekeer! Het bloed van Christus, dat zij in hun woede hebben vergoten, mochten zij als gelovigen drinken.