Carthago 26 jan. - 1 febr. 413
Wij hebben in het evangelie onze Heer in vervoering horen zeggen tot zijn Vader: "Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt gehouden voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren". Door luid te spreken geven wij ons moeite, door aandachtig te luisteren geeft gij u moeite. Luisteren wij dan naar Hem die aldus vervolgt en zegt: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt". Waarom zijn wij allen uitgeput? Is het niet omdat wij sterfelijke, broze, zwakke wezens zijn; als aarden vaten, die het voor elkaar daardoor moeilijk maken? Als dan ook al de broze vaten het elkaar moeilijk maken, moge dan de liefde de harten verruimen. Waarom die uitnodiging: "Komt allen tot mij die uitgeput zijt"? Is het niet om niet uitgeput te zijn? De belofte volgt tenslotte terstond: "en Ik zal u rust en verlichting schenken", zegt de Heer. Want omdat Deze werkers vraagt, zouden die werkers zich misschien afvragen, voor welk loon zij geroepen zijn: "Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij," niet hoe gij een wereld moet bouwen; ook niet hoe gij in die wereld wonderen moet doen; maar dat "Ik zachtmoedig en nederig van hart ben". Wilt gij groot worden, begin dan bij het kleinste. Denkt gij erover om een hoog huis te bouwen, denk dan eerst over het fundament van de nederigheid. Hoe hoger het bouwwerk zal zijn, des te dieper moet iemand graven voor het fundament. Als het gebouw wordt opgetrokken, rijst het de hoogte in: wie echter een fundament graaft, gaat de diepte in. Het gebouw gaat de diepte in alvorens de hoogte in te gaan, en de hoogste spits komt pas wanneer het bouwwerk eerst de diepte is ingegaan. Welke bekroning denken wij aan ons huis in aanbouw te geven? Tot waar zal zijn hoogste spits reiken? Zonder aarzeling zeg ik het u: tot de beschouwing van God. Gij ziet hoe hoog dit is, en hoe verheven de aanschouwing van God! Wie ernaar verlangt, weet wat ik zeg, en begrijpt wat hij hoort. Beloofd wordt ons: het zien van God, het zien van de ware God, van de allerhoogste God. Dat is immers een goed: de 'al'ziende te zien. Neemt uw toevlucht tot Hem die aanwezig is en gij zijt gerust als Hij komt. Weest welgemoed. Want hij ziet u als gij goed leeft, en Hij ziet u ook als gij slecht leeft. Als gij slecht leeft, kunt gij wel gezien worden door Hém, maar Hém zien kunt gij niet. Als gij echter goed leeft, wordt gij gezien door Hem en ziet gij Hem ook. Hoe zal Hij, die barmhartig naar u omzag om U, onwaardige, te roepen, met des te groter tederheid naar u omzien, nu Hij u waardig acht om u te bekronen.