Home

17 september  De herder, de huurling en de dief




Waarschijnlijk tussen 400-410

De Heer spreekt van drie personen, die wij in het evangelie moeten nagaan: de herder, de huurling en de dief. Toen het evangelie werd voorgelezen, zult gij wel hebben opgemerkt, dat Hij de herder, de huurling en de dief heeft omschreven. Van de herder zei Hij, dat deze zijn leven geeft voor zijn schapen en door de deur binnenkomt. Van de dief en de rover zei Hij, dat zij langs de andere zijde binnenkomen. Van de huurling zei Hij dat deze, wanneer hij een wolf of een dief ziet, op de vlucht slaat; hij heeft immers geen hart voor de schapen, omdat hij een huurling, geen herder is. De een gaat binnen door de deur omdat hij de herder is; de ander gaat langs een andere weg naar binnen, omdat hij een dief is; wanneer de derde hem, die de schapen wil meenemen, ziet, wordt hij bang en slaat op de vlucht, omdat hij een huurling is en geen hart heeft voor de schapen, want hij is immers een huurling. Wanneer wij deze drie personen goed in ons hebben opgenomen, dan weet gij ook, van wie gij moet houden, wie gij moet verdragen, voor wie gij moet oppassen. Van de herder moet men houden, de huurling moet men verdragen, maar voor de rover moet men oppassen. Er zijn immers in de Kerk volgens de apostel Paulus mensen, die met bijbedoelingen het geloof verkondigen, en die bij de mensen hun eigen belang zoeken: ofwel geldelijk belang, of eer en menselijk aanzien. Als iemand echter de heilsleer hoort prediken door iemand die zelf het heil niet heeft, en als hij het geloof aanvaardt in Hem die wordt verkondigd, zonder zijn hoop te stellen in degene die hem de heilsleer verkondigt: dan zal hij die haar verkondigt schade lijden, maar hij, aan wie ze wordt verkondigd, zal er zijn voordeel mee doen. Wie God dus verkondigen uit liefde tot God, wie God verkondigen omwille van God, weiden de schapen en zijn geen huurlingen. Die reinheid van hart eiste onze Heer Jezus Christus toen Hij tot Petrus zei: "Petrus, hebt gij Mij lief?" Wat betekent dat: "hebt gij Mij lief?" Zijt gij rein van hart? Is uw hart niet overspelig? Zoekt gij in de Kerk niet het uwe, maar het mijne? Als gij zó zijt, dan hebt gij Mij lief: "Weid dan mijn schapen". Want dan zult gij geen huurling zijn, maar een herder. Die geloofspredikers echter over wie de apostel zuchtte, waren niet rein van hart. Wat zegt hij daarom van hen? "Hoe dan ook, Christus wordt verkondigd, met of zonder bijbedoeling". Hij duldt dus de huurlingen. De herder predikt Christus zonder bijbedoeling, de huurling echter predikt Christus met een bijbedoeling, en hij zoekt iets anders. Toch predikt de één Christus en predikt de ander Christus.