Ca het jaar 410
Denkt gij nu dat God niet weet wat gij nodig hebt? Hij, die onze armoede kent, weet van te voren onze verlangens. Toen de Heer dan ook zijn leerlingen leerde bidden en hen waarschuwde niet breedsprakig te zijn, zei Hij: "Gebruikt geen omhaal van woorden; want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt", en elders: "Vraagt en u zal gegeven worden". Denkt nu niet dat onze Heer terloops te kennen heeft gegeven, dat gij moet vragen, want Hij voegt eraan toe: "Zoekt en gij zult vinden". Beschouwt ook dit niet als in het voorbijgaan gezegd, maar let op wat Hij eraan heeft toegevoegd, let op het besluit: "klopt en u zal worden opengedaan": let op wat Hij eraan heeft toegevoegd. Hij wil dus kennelijk dat gij eerst moet vragen om daarna te ontvangen; dat gij moet zoeken om te vinden, dat gij moet kloppen om binnen te gaan. Hoe is zo'n opdracht te verklaren, omdat onze Vader toch weet wat wij nodig hebben? Waarom vragen? Waarom zoeken? Waarom kloppen? Waarom al die moeite: van dat vragen en zoeken en kloppen als om iemand op de hoogte te brengen van wat Hij toch al weet? Elders zegt de Heer: "Wij moeten bidden en daarin niet versagen". Hoe moet ik nu "altijd" bidden, als mijn gebed niet kort genoeg kan zijn? Enerzijds draagt Gij mij op spoedig te eindigen, anderzijds: "altijd" te bidden, en daarin niet versagen. Wat betekent dat? Wel, om dit te begrijpen: vraag, zoek en klop. Het is juist daarom verborgen: niet om u af te stoten, maar om u op de proef te stellen. Derhalve moeten wij onszelf en ook u tot bidden aansporen. Er blijft ons geen andere hoop over, temidden van het vele kwaad in de huidige tijd, dan, al biddend te kloppen, te geloven en van harte vast te houden, dat uw Vader u niet geeft datgene, waarvan Hij weet dat het u niet ten goede komt. Want gij weet wat gij verlangt, maar Hij weet wat goed voor u is. Stel dat gij behandeld wordt door een geneesheer, omdat gij inderdaad ziek zijt. Heel ons leven trouwens is één ziekte; een lang leven: een lange ziekte. Stel dus dat gij wegens ziekte onder behandeling zijt van een geneesheer. Gij verlangt jonge wijn, gij verlangt hevig toestemming te vragen aan de geneesheer om wijn te drinken. Vragen is niet verboden, omdat het misschien niet schadelijk is voor u, maar juist goed om het gevraagde te ontvangen. Aarzel niet om te vragen, vraag, talm niet; maar als gij het gevraagde niet krijgt, wees dan niet bedroefd. Als gij u onderwerpt aan een mens, een geneesheer die u lichamelijk behandelt, hoeveel te meer moet gij u dan niet onderwerpen aan God: Geneesheer, Schepper, Hersteller van uw lichaam en uw ziel? Als God, onze hemelse Geneesheer, u zou zeggen: Wilt gij genezen? Zoudt gij dan niet antwoorden: Ja, natuurlijk, genezen! Als gij dat misschien niet antwoordt, dan is het omdat gij u gezond waant, en ja, dan zijt gij ernstiger ziek.