Ca het jaar 418
De wonderen van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus maken wel indruk op alle gelovigen die ze horen voorlezen, maar die indruk verschilt van mens tot mens. Sommigen echter staan verbaasd bij de genezing naar het lichaam, maar zij zijn niet in staat enig begrip te hebben voor de nog grotere wonderen; anderen echter weten, bij het horen van een genezing naar het lichaam, zich meer over de genezing te verwonderen naar de geest, die zich nu voltrekt. De Heer zelf zegt: "Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil". Het is niet zo dat de Vader dezen levend maakt en de Zoon anderen; de Vader en de Zoon samen wekken zowel dezen als genen ten leven, want de Vader doet alles door de Zoon. Geen christen moet er dus aan twijfelen, dat ook vandaag de doden ten leven worden gewekt. Iedereen toch kan met eigen ogen zo'n opwekking uit de dood zien, als die van de zoon van de weduwe uit het evangelie. Niet ieder echter heeft oog om zo'n verrijzenis van het hart uit de dood te zien, of zij moeten zelf van harte zijn verrezen. De opwekking uit de dood van iemand die eeuwig zal leven is grootser, dan de opwekking van iemand die gedoemd is om weer te sterven. De opwekking van die zoon van de weduwe was voor de moeder een grote vreugde: de opwekking van zoveel mensen naar de geest is dagelijks grote reden tot vreugde voor die andere moeder, de Kerk. De eerste was lichamelijk dood, de laatsten echter geestelijk. De zichtbare dood van de eerste werd zichtbaar beweend; maar om de onzichtbare dood van die anderen, daarover maakt geen mens zich zorgen en niemand ook zag die. Alleen Hij heeft zich zorgen om hen gemaakt, omdat Hij hen dood wist; alleen Hij wist hen dood die hen weer levend kon maken. Want als de Heer niet was gekomen om de doden tot leven te wekken zou de apostel niet kunnen zeggen: "Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus' licht zal over u stralen". Gij hoort daar over een slapende spreken: "ontwaak slaper", maar weet wel dat een dode is bedoeld, als gij hoort: "sta op uit de dood". Dikwijls zegt men van echte doden ook dat zij slapen. Terecht slapen allen voor Hem die hen kan doen ontwaken. Een dode immers is echt dood voor u, hoe gij hem ook stoot, hoe gij hem ook prikt, hoe gij hem ook verwondt, hij wordt niet wakker. Voor Christus echter sliep hij tot wie gezegd werd: "Sta op", en terstond stond hij op. Niemand kan een slapende zo gemakkelijk wekken in zijn bed, als Christus een dode kan wekken in het graf.