Home
3 februari Hoe lang nog: "Morgen, altijd morgen".
Toen een diepgaande beschouwing al mijn ellende uit de verborgen grond had opgehaald en voor de ogen van mijn hart had gesteld, stak er een geweldige storm op die een geweldige tranenregen met zich meevoerde. Om die storm dan met zijn geraas helemaal te laten uitwoeden stond ik op en ging bij Alypius weg - de eenzaamheid leek mij geschikter om mij aan mijn tranen over te geven. - Ik ging zo ver weg dat ook zijn aanwezigheid mij niet kon hinderen. Zo was ik er aan toe, en hij voelde het aan. Want ik had een of ander gezegd, denk ik, waarbij de klank van mijn stem al kennelijk vol tranen was, en zo was ik opgestaan. Hij bleef dus op de plaats waar wij zaten, stom van verbazing. Ik wierp mij onder een vijgenboom neer, hoe weet ik niet; ik liet mijn tranen de vrije loop en de stromen van mijn ogen braken los, als een welgevallig offer voor U. Wel niet met deze woorden, maar toch in deze zin sprak ik veel tot U: "En Gij, Heer, hoe lang nog? Hoe lang nog, Heer, blijft Gij eeuwig verbolgen? Gedenk onze vroegere ongerechtigheden niet." Want ik voelde dat ik erdoor werd vastgehouden. Dan stiet ik klagende klanken uit: "Hoe lang, hoe lang nog: "morgen, altijd morgen". Waarom niet nu? Waarom niet in dit uur een einde gemaakt aan mijn schandelijk leven?