Carthago, "Mensa Cyprianiop een zondag in het jaar 418 na 26 mei
Denkt gij dat ik zelf doe wat ik zeg als ik over vriendschap spreek? Ik doe het, als ik het eerst doe, wat mijzelf betreft. In mijzelf doe ik het; ja, dan doe ik het, als God er mij de genade toe geeft. Ik haat mijn ondeugden; en om de genezing van mijn hart te verkrijgen, bied ik het mijn geneesheer aan. Ik kastijd die gebreken zover ik kan, ik zucht erover, ik beken dat ze in mij zijn, en gij ziet dat ik er mij van beschuldig. Gij dan, die mij berispte, beter u. Dat eist de rechtvaardigheid om te voorkomen dat op ons van toepassing is: "Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult gij scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder". De toorn is de splinter; de haat is de balk. Laat gij de splinter gedijen, dan wordt hij een balk; de ingewortelde toorn gaat over in haat; voed de splinter en hij wordt een balk. Als gij wilt voorkomen dat de splinter een balk wordt, "laat de zon dan niet ondergaan over uw toorn". Gij bemerkt, ja, gij voelt dat gij doodsbleek wordt van haat en gij verwijt de ander een opwelling van toorn? Doof de haat uit, en terecht kunt gij de toorn verwijten. Hij heeft een splinter in zijn oog, maar gij een balk in het uwe. Want als gij haat, hoe ziet gij dan de splinter die gij eruit wilt halen? Gij hebt een balk in uw oog. Waarom hebt gij die balk in uw oog? Omdat gij de splinter daar ontstaan, hebt verwaarloosd. Met hem in het oog zijt gij ingeslapen, met hem zijt gij opgestaan. Gij hebt hem in u laten gedijen, gij hebt hem besproeid met valse verdenking, gij hebt de splinter gevoed en niet uitgerukt, door te luisteren naar woorden van vleiers en door kwaadspreken over uw vriend te geloven. Door uw toedoen hebt gij, er een balk van gemaakt. Verwijder de balk uit uw oog: haat uw broeder niet meer. Schrikt gij ervoor terug of schrikt gij er niet voor terug? Houd op met haten, zeg ik u en gij kunt gerust zijn. Gij antwoordt mij en zegt mij: "Wat is haten? Wat voor kwaads steekt er dan in dat iemand zijn vijand haat?" Gij haat uw broeder; maar als gij dat haten geringacht, luister dan naar wat gij niet verwacht: "Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar". Wie haat is een moordenaar. Kunt gij daarom nu zeggen: "Kan het mij iets schelen, dat ik een moordenaar ben?" Wie haat, is een moordenaar. Gij hebt wel geen vergif bereid, gij zijt ook niet gekomen met een zwaard om uw vijand te doorboren: gij hebt geen gebruik gemaakt van een beul, noch tijd, noch plaats voorbereid. Tenslotte hebt gij de misdaad zelf niet gepleegd. Alleen maar hebt gij gehaat, en gij hebt uzelf de dood toegebracht voordat gij het hem deed.