Home
13 september Ondervraging van de schepselen
Wat is dat (wat ik bemin als ik mijn God bemin)? Ik heb de aarde ondervraagd, en die zei: "Ik ben het niet"; en alles wat er op aarde is heeft hetzelfde beleden. Ik heb toen de zee ondervraagd en haar diepten en "het kruipende gedierte dat er leeft", en zij gaven ten antwoord: "Wij zijn niet uw God: zoek boven ons". Ik heb de waaiende winden ondervraagd, en het hele luchtruim met zijn bewoners zei: "Aneximenes vergist zich: ik ben God niet". Ik heb de hemel ondervraagd, de zon, de maan en de sterren: "Ook wij zijn niet God, die gij zoekt", zeiden ze. Ik zei tot alle dingen die voor de poorten van mijn vlees staan: "Spreekt mij over mijn God, die gij niet zijt, zegt mij iets over Hem". Met luide stem riepen zij toen: "Hij heeft ons gemaakt". Mijn vraag was mijn aandacht voor hen en hun schoonheid was hun antwoord. Ik heb mij toen tot mijzelf gekeerd en tot mijzelf gezegd: "Wie zijt gij? Ik antwoordde: "Een mens". Een lichaam immers en een ziel bezit ik, en die staan mij ten dienste, het één uiterlijk, het ander innerlijk. Aan wie van deze beide nu moest ik vragen naar mijn God, die ik reeds met mijn lichaam had gezocht van de aarde tot de hemel, zover ik de blikken van mijn ogen als boden kon zenden? Het innerlijke was toch beter; daaraan immers brachten al de lichamelijke boden als aan de leider en beoordelaar bericht over de antwoorden van hemel en aarde en van alles wat in hen is, en dat alles zei: "Wij zijn God niet", en: "Hij heeft ons gemaakt". De innerlijke mens vernam dit door de dienst van de uiterlijke. Ik, de innerlijke mens vernam dit, ik, ik de geest, door middel van de zintuigen van mijn lichaam. Ja, gij zijt beter, zeg ik u, mijn ziel, want gij brengt de massa van uw lichaam in beweging, doordat gij haar het leven schenkt, wat geen lichaam aan een ander lichaam geeft. Uw God is echter ook voor u het leven van uw leven.