Home

6 mei  De goede Herder




Hippo (mogelijk Carthago) ca het jaar 410

De apostelen waren met velen en toch wordt aan één enkele gezegd: "Weid mijn schapen". Wel verre van ons te denken dat er thans geen goede herders zouden zijn, wel verre van ons te denken dat zij er niet zijn, wel verre van de barmhartigheid van Hem, dat Hij hen niet in het leven zou roepen en zou aanstellen. Heel zeker: als er goede schapen zijn, zijn er ook goede herders; want van goede schapen komen goede herders. Alle goede herders echter zijn in de Ene, ja, zij zijn één. Als zij weiden, weidt Christus. Want als vrienden van de Bruidegom spreken zij niet in eigen naam, maar zijn zij al verheugd als zij de stem van de Bruidegom horen. Daarom weidt ook Deze terwijl zij weiden; en de Bruidegom zegt immers: "Ik weid", omdat het in hen zijn stem is, in hen zijn liefde. Want ook Petrus zelf, aan wie Hij zijn schapen toevertrouwde als de een aan de ander, wilde Hij één maken met Zichzelf en hem zó de schapen toevertrouwen dat Hij, Christus, het Hoofd zou zijn en Petrus het lichaam zou vertegenwoordigen, met andere woorden: de Kerk: en beiden als Bruidegom en bruid twee zouden zijn in één vlees. Wat zegt Christus dus eerst aan Petrus, alvorens hem de schapen toe te vertrouwen, om te voorkomen dat hij de schapen aan hem als aan een ander zou toevertrouwen? "Petrus, hebt gij Mij lief? Hij antwoordde: Ik heb U lief. Nog een tweede maal: Hebt gij Mij lief? Hij antwoordde: Ik heb U lief. Nog een derde maal: Hebt gij Mij lief? Hij antwoordde: Ik heb U lief." Zo versterkt Jezus de liefdeband, om de band van de eenheid te bevestigen. De Heer zelf is dus de Ene in hen die weidt, en zij weiden in de Ene. Er is geen sprake van herders, en toch is er wel sprake van. De herders roemen, maar "als iemand wil roemen, moet hij roemen op de Heer". Dat betekent: Christus weiden; dat betekent: voor Christus weiden; dat betekent: in Christus weiden en niet buiten Christus voor zichzelf weiden. Het is toch waarachtig niet door een gebrek aan herders, alsof de profeet een voorspelling deed van die slechte tijden, dat hij zei: "Ik zal zelf mijn schapen weiden"; alsof God niemand had om ze aan toe te vertrouwen. Want ook toen Petrus zelf er was en toen de apostelen zelf nog lichamelijk in leven waren, zei die Ene, in wie allen één zijn: "Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder". Alle herders moeten dus verenigd zijn in die éne Herder en moeten de éne stem van de Herder aan de schapen laten horen; en allen moeten hun Herder volgen: niet deze of die, maar de Ene. Allen moeten ook in Hem éénzelfde stem laten horen en niet de wanklank van verschillende stemmen. "Weest allen eensgestemd, laat er geen verdeeldheid onder u heersen". Deze stem, vreemd aan alle verdeeldheid, gezuiverd van alle ketterij, moeten alle schapen horen om hun Herder te kunnen volgen die hun toeroept: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem en zij volgen Mij".