Hippo, waarschijnlijk maandag of dinsdag na Pasen, het jaar 412-413
In het evangelie van vandaag merken wij op, hoe de Heer Jezus zijn leerlingen, zijn eerste lidmaten, die niet van zijn zijde weken, berispte, omdat zij, die treurden dat Hij gedood was, niet geloofden dat Hij levend was. Zo waren de vaders van het geloof zelf nog niet gelovig: de leermeesters, die de wereld zouden onderwijzen in de leer waarvoor zijzelf zouden sterven, geloofden nog niet. Zij hadden Hem doden ten leven zien wekken en toch geloofden zij niet, dat Hij zelf was verrezen. Terecht werden zij daarom berispt: zo kwamen zij zichzelf voor ogen te staan, opdat zij goed zouden weten "wie" zij uit zichzelf waren, en "wie" zij door Hem zouden worden. Zo leerde Petrus ook zichzelf kennen, toen hij bij het naderen van het lijden des Heren zichzelf overschatte, en op het ogenblik van het lijden zelf wankelde. Hij zag toen wie hijzelf, uit zichzelf was, hij treurde over zichzelf, hij weende over zichzelf en keerde zich tot Hem die hem had geschapen. Nu geloofden de apostelen nog niet, terwijl zij Hem al voor ogen hadden. Hoe groot is dan zijn goedheid, die het ons heeft gegeven, te geloven wat wij niet zien? Wij geloven hun woorden, zij geloofden hun eigen ogen niet.