Home
30 maart De verrader
"Toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op, in het bewustzijn dat de Vader hem alles in handen had gegeven". Door een duivelse ingeving was het reeds in het hart van Judas opgekomen dat de leerling de Meester zou overleveren die hij evenwel niet had leren kennen als God. Zo was hij dan naar de maaltijd gekomen, als aftaster van de Herder, als belager van de Zaligmaker, als verkoper van de Verlosser; zo was hij dan gekomen, en werd opgemerkt, en werd verdragen en dacht onbekend te zijn, omdat hij in Hem die hij wilde bedriegen, bedrogen uitkwam. Jezus echter, die zag wat diep in dat hart van Judas zelf omging, maakte bewust gebruik van hem die er zich niet van bewust was, "in het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven". Dus ook de verrader zelf. Want als Jezus de verrader niet in de hand zou hebben, zou Hij zeker geen gebruik van hem maken zoals Hij wilde. Hij die overleverde was dus al overgeleverd aan Hem die hij wilde overleveren; en door Hem over te leveren deed hij het kwaad zó, dat uit het overleveren van Jezus een goed voortkwam waarvan de verrader geen weet had. De Heer wist immers wat Hij deed voor zijn vrienden, Hij, die geduldig gebruik maakte van zijn vijanden. Zo had de Vader Hem alles in handen gegeven: het kwade om er zich van te bedienen, het goede om het teweeg te brengen. "In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven, en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde", verliet Hij God niet toen Hij van daar wegging; en verliet Hij ons niet toen Hij naar Hem terugkeerde.