11 oktober 413
De heilige evangelist Johannes zegt in zijn brief: "Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard". Wij zullen zijn hoewel wij al zijn. Wat zullen wij meer zijn dan wij al zijn? Luister: "Wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn". Waarom? "Omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is." Een grote belofte, maar loon voor het geloof. Vraagt gij loon, arbeid dan eerst. Als gij gelooft, eis dan het loon voor het geloof; gelooft gij niet, wat matigt gij u dan aan om loon te vragen? "Indien gij" echter "trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen", en zult gij de waarheid zien zoals zij is; niet in schallende woorden maar in stralend licht; dan, wanneer Hij ons heeft getekend zoals geschreven staat in de psalm: "Met uw lichtend aanschijn, Heer, hebt Gij ons getekend". Muntstukken Gods zijn wij, geldstukken, verdwaald uit zijn schatkist. Door het rondzwerven is versleten wat ons was ingedrukt; Hij is gekomen om de vorm terug te geven die zelf eens de vorm heeft gegeven; ook is Hij op zoek naar zijn munt, zoals de keizer naar de zijne. Daarom zegt Hij: "Geeft aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt". Aan de keizer uw geld, aan God uzelf. Dan zal de waarheid in ons worden uitgedrukt. Wat zal ik u zeggen, geliefden, o, verzuchtte ons hart tenminste enigszins naar die onuitsprekelijke heerlijkheid! O, voelden wij toch met weemoed aan dat wij ballingen zijn, hadden wij de "wereld" maar niet lief, en klopten wij onophoudelijk met minnend hart aan bij Hem die ons heeft geroepen! Het verlangen is het innigste van ons hart. Wanneer wij dit verlangen zo ruim mogelijk maken, zal eenmaal het verlangde in ons bereik zijn. Juist dit probeert bij ons te bereiken de heilige Schrift, de bijeenkomst van de gelovigen, de viering van de sacramenten, het heilig doopsel, het lofzingen voor God en deze prediking van mij: dat dit verlangen niet enkel gezaaid wordt en kiemt, maar ook zo weelderig uitgroeit dat het geschikt wordt om op te nemen wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen.