Home

19 september  Ik ben de goede herder




Carthago, het jaar 411-412

Laten we nu zien, of Petrus soms geen goede herder is. Door 's Heren vraag en Petrus' antwoord vernemen wij dit. Gij, Heer, hebt gevraagd of hij U liefhad. Petrus heeft geantwoord: "Ja, ik heb U lief". Gij hebt in zijn hart kunnen lezen dat hij de waarheid sprak. Zou hij dan niet goed zijn die zo'n groot Goed bemint? Vanwaar anders dat antwoord, dat voortkwam uit het diepst van zijn hart? Waarom was Petrus, die wist dat uw ogen doordrongen tot in zijn hart, bedroefd, dat Gij hem niet slechts eenmaal, maar nog eens en zelfs een derde maal hebt gevraagd: om door de drievoudige belijdenis van zijn liefde, het drievoudige kwaad uit te delgen van de verloochening? Waarom was hij bedroefd, dat hij zo dikwijls werd ondervraagd door Hem, die al wist waarnaar Hij vroeg en die zelfs het antwoord had ingegeven? Waarom was Petrus bedroefd en zei hij tot Hem: "Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin". Zou hij, die zo iets beleed, ja, die zo openlijk beleed, onwaarheid kunnen spreken? In alle oprechtheid antwoordde hij dan ook dat hij U liefhad, en uit het diepst van zijn hart welden woorden van liefde op voor U. Trouwens, Gij zelf hebt gezegd: "Een goed mens brengt uit zijn schat van goedheid goede dingen te voorschijn". Dus is hij zowel herder, als goede herder; weliswaar niets in vergelijking met de macht en de goedheid van de herder der herders; maar toch is ook hij herder en een goede herder; en ook de anderen die zó zijn, zijn goede herders.