Waarschijnlijk tussen het jaar 400-410
Jezus zegt tot Petrus, de enige op wie Hij zijn Kerk grondvest: "Petrus, hebt gij Mij lief?" Hij antwoordt: "Ja, Heer, ik bemin U. "Weid mijn schapen". Dan tot een derde maal toe: "Petrus, bemint gij Mij?" Petrus werd bedroefd, omdat de Heer hem tot driemaal toe ondervroeg, alsof Hij, die het geweten zag van de loochenaar, de trouw niet zou zien van de belijder. Hij had hem altijd al gekend, Hij had hem ook al gekend, zelfs toen Petrus zichzelf niet had gekend. Want toen had hij immers zichzelf niet gekend, toen hij zei: "Ik zal met U zijn tot in de dood". Hij wist niet hoe zwak hij was. Dit komt ook dikwijls voor bij zieken. De zieke weet niet wat hem scheelt, de geneesheer echter weet het wel, en toch lijdt de zieke aan die kwaal, terwijl de geneesheer er niet aan lijdt. De geneesheer kan veel beter zeggen, wat de ander scheelt, dan hij die ziek is het van zichzelf kan zeggen. Petrus was toen de zieke, de Heer was de geneesheer. Petrus zei krachten te hebben die hij in werkelijkheid niet had. De Heer echter voelde zijn polsslag en zei, dat hij Hem driemaal zou verloochenen. Het is gebeurd zoals de geneesheer had voorspeld, niet zoals de zieke in zijn overmoed had beweerd. Hoewel onze Heer goed wist hoe oprecht Petrus' liefde voor Christus was, die hij openlijk beleed, ondervroeg de Heer hem na zijn verrijzenis, om door een drievoudige belijdenis van zijn liefde, de drievoudige verloochening ingegeven door vrees, uit te wissen. Als de Heer dan ook aan Petrus vraagt: "Petrus, bemint gij Mij?", is het alsof Hij wilde zeggen: wat zult gij Mij geven, wat zult gij voor Mij doen, om te bewijzen dat gij Mij bemint? Wat zou Petrus dan kunnen doen voor de Heer die was verrezen, voor Hem die op het punt stond naar de hemel te gaan, en zou zitten aan de rechterhand van zijn Vader? De Heer scheen hem dus te zeggen: Dit zult gij Mij geven, dit zult gij voor Mij doen als gij Mij liefhebt, dat gij mijn schapen weidt. Ga binnen door de deur kom niet langs een andere zijde binnen.