Home
7 september Dood van Monica
Op de negende dag van haar ziekte, in het zesenvijftigste jaar van haar leven, in het drieëndertigste jaar van het mijne, is die godvruchtige en vrome ziel van het lichaam ontbonden. Ik sloot haar de ogen en in mijn binnenste kwam een mateloze droefheid op die in tranen overvloeide. Terstond daarop drongen op krachtig bevel van mijn geest mijn ogen de tranenvloed terug, zodat ze droog werden, maar in die worsteling had ik het heel moeilijk. Op het ogenblik dat zij haar laatste adem uitblies barstte de jonge Adeodatus in jammerklachten uit; hij werd door ons allen tot bedaren gebracht en was stil. Op die manier werd een kinderlijke aandoening van mij, die zich wilde uiten in tranen, door de mannelijke stem van mijn hart, bedwongen en tot zwijgen gebracht. Wij vonden het namelijk ook niet gepast dat overlijden met jammerklachten, tranen en zuchten te eren, omdat men gewoonlijk daarmee de dood als een ellendig lot of als een algehele vernietiging van degenen die sterven beweent. Zij echter stierf niet ongelukkig, ja, zij stierf in het geheel niet. Hieraan hielden wij vast, gewaarborgd door haar levenswandel, haar "ongeveinsd geloof", en op stellige gronden. Wat was het dan, dat in mijn binnenste zo diep bedroefd was? Toch niets anders dan de verse wonde tengevolge van het plotseling verbreken van de zo aangename en dierbare gewoonte van ons gezamenlijk leven? Wel wenste ik mij geluk met haar getuigenis, dat zij mij juist in haar laatste ziekte terwijl ik haar behulpzaam was, mij liefkozend, haar goede, lieve zoon noemde en met grote innigheid eraan herinnerde dat zij nooit uit mijn mond een hard woord of een kwetsende klank tegen haar had horen ontvallen. Maar toch, mijn God, die ons gemaakt hebt, wat was de eerbied die ik haar bewees, vergeleken bij haar diensten jegens mij?
Omdat ik dus verstoken was van haar zo grote troost, daarom werd mijn ziel gewond en het leven dat één had uitgemaakt met het hare, als het ware verscheurd.