Home
9 september Behoefte aan God
Moge ik U kennen, Gij, die mij kent, U kennen zoals ik gekend ben! Kracht van mijn ziel, treed binnen in haar en maak haar geschikt voor U, om haar te hebben en te bezitten "zonder vlek of rimpel". Dit is het wat ik hoop, daarom spreek ik; en van die hoop komt mijn vreugde, zo dikwijls mijn vreugde ware vreugde is. Al het overige van dit leven is des te minder te bewenen, naarmate er meer om wordt geweend, en des te meer te bewenen, naarmate er minder om wordt geweend. Inderdaad, "Gij hebt de waarheid liefgehad" want "wie de waarheid doet, gaat naar het licht". Ik wil ernaar handelen in mijn hart ten overstaan van U door mijn belijdenis, maar in mijn schrijven ten overstaan van velen die er van kunnen getuigen. Wat zou er voor U, Heer, voor wiens "ogen" de diepe afgrond van het menselijk geweten "bloot ligt", verborgen kunnen zijn in mij, ook al wilde ik het U niet belijden? Want ik zou U voor mij verbergen, niet mij voor U! Nu echter, nu mijn zuchten getuigen zijn dat ik aan mijzelf mishaag, schittert Gij en behaagt Gij mij en zijt Gij het voorwerp van mijn liefde en verlangen, zodat ik schaamrood word over mijzelf, mijzelf verwerp en U verkies, en noch aan U, noch aan mijzelf meer anders wil behagen dan om U. Voor U dus, Heer, ligt mijn leven open, wie ik ook ben. Welke vrucht ik verwacht van mijn belijden aan U, heb ik al gezegd; en ik doe het ook niet met hoorbare mensenwoorden of klanken, maar met woorden van mijn ziel en het luide roepen van mijn gedachte alleen door uw oor onderkend. Wanneer ik namelijk slecht ben, betekent belijden aan U niets anders dan mishagen aan mijzelf; ben ik echter goed dan is belijden aan U niets anders dan dat goed-zijn niet toeschrijven aan mijzelf, omdat Gij, Heer, de rechtvaardige zegent, maar hem tevoren van slecht rechtvaardig maakt. Mijn belijdenis aan U wordt dus gedaan voor uw aanschijn, mijn God, voor U, zwijgend en toch niet zwijgend: in klank van woorden is zij stil, in aandrang van gevoelens roept zij luid. Ik zeg toch ook aan de mensen niets goeds wat Gij tevoren niet van mij hebt gehoord, en ook hoort Gij niets goeds van mij, wat Gij mij niet tevoren hebt gezegd.