Het jaar 391
"Op welke dag de zondaar zich ook tot Mij zal keren, Ik zal al zijn ongerechtigheden vergeten". Toen gij, tot uw ongeluk, hebt toegegeven aan vermetel vertrouwen, hebt gij gehoord: "Blijf niet wachten met uw terugkeer tot de Heer, en stel die niet uit van dag tot dag". Ziedaar hoe Gods voorzienigheid u van alle kanten omringt met zijn barmhartigheid. Wat zegt gij nu? "God heeft mij vergeving beloofd; Hij zal mij die dus schenken wanneer ik mij bekeer". Ja, Hij zal u die schenken wanneer gij u bekeert: maar waarom bekeert gij u niet? Omdat "Hij mij zal vergeven wanneer ik mij bekeer". Hij zal u absoluut vergeven wanneer gij u bekeert; maar juist dat "wanneer", wanneer is dat? Waarom vandaag niet? Waarom nu niet, nu gij naar mij luistert? Waarom niet, nu gij mij toeroept? Waarom niet, nu gij mij toejuicht? Moge de kreet van mijn hart dan al een steun voor u zijn; maar de kreet van uw lippen een getuige tegen u! Waarom vandaag niet? Waarom nu niet? "Morgen", zegt gij. Vergeving heeft God u beloofd; "morgen", belooft gij uzelf. Of, als het is, zoals gij mij uit de Schrift leest, dat u vergeving is beloofd als gij u bekeert, zo ook aan u beloofd is dat gij van dag tot dag kunt uitstellen? Heeft God u niet, om u een heilzame vrees in te boezemen, allereerst deze waarschuwing gegeven, met de woorden: "Stel niet uit van dag tot dag, want zijn toorn komt plotseling los"? Maar natuurlijk, wijs als gij zijt, schrikt gij ervoor terug meer dan twee dagen goed te leven. Uw verlangen gaat uit naar een lang leven en gij schrikt niet terug voor een slecht leven. Gij wilt lang leven en slecht leven. Gij zijt uit op een slecht leven van lange duur, waarom niet liever op een goed leven van lange duur? Verlangt gij soms iets te bezitten dat niet in goede staat is? Zal het dan alleen uw leven zijn dat slecht verloopt? Als ik u vraag hoe gij u wilt kleden, dan is uw antwoord, goed; welk landgoed gij wilt hebben, een goed; welke echtgenote, een goede; welke kinderen, goede; welk huis, een goed; alleen als leven, verlangt gij een slecht. Toch stelt gij uw leven boven al uw goed en onder al uw goed is het alleen uw leven dat gij slecht wilt. Inderdaad, dat alles wat gij aan goeds zocht, zoals kleding, een landhuis en al dat andere goed, zijt gij bereid te geven in ruil voor uw leven. Als iemand u zegt: "Al uw goed, of uw leven", dan zijt gij bereid om al uw goed prijs te geven, om uw leven, hoe slecht ook, te behouden. Waarom wilt gij niet, dat het goed zal zijn, terwijl gij, zelfs al is het kwaad, al uw goederen ervoor wilt geven? Dus geen verontschuldiging, maar zelfbeschuldiging, om niet bloot te staan aan veroordeling!