Het jaar 391
Wil iemand u verleiden tot zonde? Ga er dan vóór alles met kracht tegen in. Heeft men u overgehaald? Denk dan niet aan verontschuldiging, maar veeleer aan beschuldiging. Want ook degene die zei: "Schep in mij een zuiver hart, mijn God", was zo begonnen: "Heb medelijden met mij, God, volgens uw grote barmhartigheid". Een groot zondaar roept om grote barmhartigheid: een ernstige wonde vraagt om een ernstig geneesmiddel. Er wordt daar ook gezegd: "Keer U af van mijn zonden en delg al mijn misdaden uit. Schep in mij een zuiver hart, mijn God. God keert zich dus af van de zonden als men Hem die belijdt, en als men zichzelf beschuldigt; vervolgens als men Gods hulp en barmhartigheid afsmeekt. Hij keert zich immers af van iemands zonden, Hij keert zich niet af van de zondaar. Maar toch, als gij wilt dat God de zonden vergeeft, moet gij ze bekennen. Ongestraft kan de zonde niet blijven; ongestraft moet zij niet blijven; dat past niet, dat is niet rechtvaardig. Omdat de zonde dus niet ongestraft moet blijven, moet zij gestraft worden door u opdat gij niet gestraft wordt voor haar. Moge uw zonde in uzelf een rechter vinden, geen verdediger. Bestijg tegen uzelf de rechterstoel van uw geweten, plaats u als beschuldigde tegenover uzelf. Plaats u niet achter uzelf, als gij tenminste niet wilt dat God u vóór zichzelf plaatst. Het eenvoudigste middel om vergeving te krijgen is dan ook het gebed van dezelfde psalmist: "Ik ben mij bewust van mijn ongerechtigheid en mijn zonde staat mij steeds voor ogen". Het is alsof hij zegt: de zonde staat mij voor ogen, om U niet voor ogen te komen; en vergeef Gij ze omdat ik ze beken. De zonde wordt dus gestraft of door u, of door God: maar als het is door u, zal het zijn zonder dat gij wordt gestraft; als het is door God, zult gij worden gestraft samen met uw zonde. De zonde moge dus in uzelf een wreker vinden en gij zult in God een verdediger vinden.